Socrates in de moskee

`Het wachten is op een islamitisch opgegroeide Maarten 't Hart', schreef de columnist Jaap van Heerden zeven jaar geleden in deze krant naar aanleiding van een discussie over integratie, verzuiling en ontzuiling van de islam in Nederland. `Het wachten is op een [...] islamitische Gerard Reve die de verrukkingen van de homoseksualiteit beschrijft, een Jan Wolkers die wereldse toepassingen vindt voor de wijsheden uit de koran.'

De Marokkaans-Nederlandse Said El Haji (Isoefajen, 1976) is een van de schrijvers die door Van Heerden geprofeteerd werden. Een Reve of Wolkers is hij nog niet – daarvoor mist hij de droge humor en de gebeitelde stijl. Maar zijn debuut De dagen van Sjaitan, over de worsteling van jonge Nederlandse Marokkanen met het religieuze gezag, is ten minste opvallend. Zonder te vervallen in larmoyant autobiografisme of eendimensionaal aanklagersproza geeft hij een beeld van het dagelijkse leven van de islamitische Berber-gemeenschap van het fictieve stadje Berkerode (El Haji groeide op in Berkel en Rodenrijs). Het procédé van in elkaar grijpende losse verhalen is bekend uit films als Short Cuts en Magnolia; El Haji leeft zich even gemakkelijk in in de geest van een orthodoxe imam als in die van een losgeslagen ritueel slachter.

Twee hoofdpersonen laten zich aanwijzen temidden van de vele personages die El Haji opvoert. Het aandoenlijkst is het jongetje Hamid dat zucht onder de tirannie van zijn vader, `de levende mattenklopper'. Hoe braaf hij ook – met tegenzin – zijn gebeden opzegt en naar de koranschool gaat, in de ogen van zijn vader zal hij het altijd fout doen, waarna hem een ouderwets pak rammel wacht. Hamid verbaast zich (`Waarom had hij geen normale vader, zoals die van zijn Hollandse vriendje? Die was altijd aardig en helemaal niet streng...') en kan niet anders dan zijn vader haten.

Omdat hij zijn overheersende en bemoeizuchtige vader met Allah gelijkstelt (immers, die zegt ook dat hij alles ziet), wordt zijn verzet tegen het ouderlijk gezag ook een strijd tegen God. Een strijd die hem, getuige de epiloog van De dagen van Sjaitan, niet alleen van zijn moeder zal vervreemden, maar ook nachtmerries zal bezorgen.

De meest tot de verbeelding sprekende hoofdpersoon van De dagen van Sjaitan is Hamids oudere alter ego Sjaitan, een welbespraakte dissident die niet voor niets is getooid met de Arabische naam voor de duivel. Sjaitan maakt het koffiehuis en zelfs de moskee van de Berkerodese moslimgemeenschap onveilig met zijn socratische ontledingen van de koran en donderpreken tegen de orthodoxen. Hij zuigt, hij daagt uit, hij beledigt – als figureerde hij in een spin-off van Rushdies Duivelsverzen. In een sleutelscène spreekt hij de gelovige vaders aan op hun contraproductieve opvoedingsidealen. Met de Marokkaanse cultuur van dertig jaar geleden hebben hun in Nederland geboren kinderen niets uit te staan, net zo min als met de islam. `,,Jullie beroepen je op zaken die helemaal niet van jullie zijn',' fulmineert hij. `,,Allah, Mohammed Rasoel en de Koran zijn van de Arabieren. Jullie zijn Berbers! [De Westerse cultuur] is voor jullie net zo uitheems en barbaars als de Arabische'.'

Voor de imam, die meer een goedbedoelende pechvogel dan een kwaaie kerel blijkt, is Sjaitan de baarlijke duivel. Said El Haji is daar wat genuanceerder over: in de mythisch-bijbels (koraans) getoonzette proloog van De dagen van Sjaitan, getiteld `Val der Engelen', maakt hij duidelijk dat je beter een moderne, ondernemende Sjaitan kunt volgen dan een machteloze Allah gehoorzamen: `Zijn macht over het Paradijs was Hij kwijt, de mensenkinderen kozen lang niet altijd voor wat in Zijn ogen goed was – en nóg meende Hij almachtig te zijn. [...] Zo zielig was hij dus, de ingebeelde monarch.' Dat Allah in de proloog wordt aangeduid als Vader, en Zijn aangenomen engelenzoon als Hamid, maakt de parallel met het eigenlijke verhaal van De dagen van Sjaitan compleet.

Said El Haji haalt een boel overhoop; theologisch, sociaal-cultureel, maar ook literair. Vooral dat laatste gaat niet zonder tegenslag of misstoot. Wie afwisselend bijbels en modern, kinderlijk en volwassen wil schrijven, moet oppassen dat hij de verschillende registers niet door elkaar husselt. El Haji ziet er geen been in om zijn parabel te doorspekken met flauwe modernismen (`en Vader zag dat hij leuk was en leuker en leuker werd') en zijn eigentijdse verhaal met archaïsmen als `hij betreurde het dat...' of `gelijk Pavlov's hond...'

Het maakt De dagen van Sjaitan stilistisch onevenwichtig, wat wordt versterkt door El Haji's voorliefde voor overbodige adjectieven (`een genadeloze, nietsontziende epidemie', `noodlottige dood', `dendert hij orakelend verder') en voor niet altijd even functionele mooiklinkwoorden als `radbraaksels' en `flamoeszacht'. Voeg daarbij de wat onbeholpen perspectiefwisselingen van het ene naar het andere personage, en je zou kunnen concluderen dat De dagen van Sjaitan allesbehalve perfect is.

Maar vergeet niet dat De dagen van Sjaitan een debuut is; een ambitieus debuut dat óók grossiert in mooie zinnen en verhalen, en dat even verfrissend de bezem door de religie haalt als het werk van Maarten 't Hart. Als schrijver van een van de eerste islamitische ontzuilingsromans zal El Haji de komende jaren zonder twijfel nog veel van zich laten horen.

Said El Haji treedt vanavond op tijdens het Amsterdamse Crossing Border-festival in de Melkweg.