Optelsom van verstand en ervaring

De poëzie van Anna Enquist is bedrieglijk alledaags. Vrijwel altijd beschrijven haar verzen een ogenblik uit haar eigen leven, en in die notities is weinig plaats voor mystiek. Toch ontstijgen haar gedichten, alle aardsheid ten spijt, de toon van briefkaart en dagboek. Als lezer waan je je toegesproken in directe taal, maar bij tweede lezing blijkt al dat er meer gezegd wordt dan er staat. Het is dan ook `talige' poëzie. Enquist blijft dicht bij de werkelijkheid die haar omringt, maar ze weet heel goed dat poëzie in de eerste plaats een product van taal is, en ze maakt daar navenant gebruik van. Desondanks is haar verhouding met de taal tweeslachtig. `Taal', schreef ze daarover in Klaarlichte dag (1996), `Taal, laat mij, je leert mij niets/ dan leugens, laat mij raden naar/ de reden van je regels.'

In haar nieuwe bundel, De tweede helft, zijn de woorden en het taalgebruik opnieuw zelf onderwerp in een paar gedichten. En ook nu weer is er die ambivalentie:

Zoals wij eigenaar zijn van de woorden

bezitten wij huis, tuin en kinderen,

plaats makend voor nieuwe gebruikers.

Zo'n quasi terloopse passage is kenmerkend voor het taalgebruik van Anna Enquist. De regels zijn onderdeel van een drievoudige cyclus over Nieuwjaar, waarin het definitieve afscheid, de vaart `naar het stille feest', in plastische beelden nog even bezworen wordt. Ze zijn heel persoonlijk, die beelden, maar zo helder neergezet dat ze als vanzelf, terloops ook het geheugen van de lezer aanspreken.

Misschien schuilt het geheim van deze poëzie in de manier waarop ze emoties zonder die te benoemen aanraakbaar maakt. Bij Anna Enquist is dat steeds weer een optelsom van verstand en ervaring. Waar die twee een fusie aangaan ontstaat een alchemistische verbinding. Rutger Kopland heeft de raadselachtige werking daarvan ooit treffend paradoxaal onder woorden gebracht. Om persoonlijker te dichten, betoogde hij, moet je nog onpersoonlijker schrijven. Is dat wat Anna Enquist doet in het hiernaast afgedrukte `Zwaartekracht'? De titel is zo verstandelijk als de inhoud persoonlijk lijkt. `Lijkt', schrijf ik, want de openingsregel (`Ik was een vrouw in een vliegtuig') suggereert dat het allemaal niet echt is – zoals kinderen hun spel soms beginnen met `Jij was de moeder en ik het kind'. Maar, echt of niet, na het derde couplet val je als lezer onherroepelijk mee naar die plaats op de ingedeukte aarde.

Enquist componeert bewust. Een blik op de inhoudsopgave van De tweede helft vertelt hoe structureel ze haar verzen ook ordent. De bundel bestaat uit vijf delen, waarvan de eerste vier elk acht gedichten tellen. De titels van die delen gaan van beweging naar stremming: `De plaatsen', `Achteruit', `De wegen', `Vooruit' en `Stilstand'. De cyclus over Nieuwjaar is onderdeel van `Stilstand', maar sluit die jammer genoeg niet af. Die eer gaf Anna Enquist aan een gedicht over het schrijven van poëzie of, beter gezegd, over haar onmacht om de smaak van het vers in de hand te houden. `Smaak' heet het dan ook, en in de eerste zeven regels omschrijft ze het ideale gedicht: woorden met dubbele bodem, bescheiden binnenrijm, beeldspraak aan banden... Maar hoe ander is soms de praktijk.

Het gedicht van mij vreet zich vol

met rotzooi. Niet doen, zeg ik,

niet die bittere prak, dat droevig

rantsoen verzwelgen. Maar het vers

barst uit de krappe ceintuur

van de regels en smijt zich

tegen de bladzij, onder mijn blik.

`Niet doen', zou ik als poëzieredacteur hebben gezegd. `Eindig met die mooie cyclus over de jaarwisseling. ``Smaak' is een schellenboom in je symfonie-finale.' `Smaak' is een uitzonderlijke misslag, want al staan niet alle gedichten perfect op scherp, er valt veel te genieten in De tweede helft. In de eerste helft van de bundel geldt dat wat mij betreft vooral voor een paar reisgedichten in `De plaatsen': `Uit Delft' bij voorbeeld, en de gedichten over Lissabon, waarin de dood van Herman de Coninck verdrietig tussen de regels meelift. `Met stomheid' heet een van de verzen daarover, en elk woord is raak:

Loodzware dagen zeggen we maar

wat weegt zo'n woord weinig; het laatste

zeilt op stadsdamp neerwaarts, kromt

zich keer op keer om zijn betekenis.

Argeloos keren de huizen hun

dierbaarste

wanden naar buiten, fluisteren Lissabon,

Lissabon. Tussen keuken- en

badkamertegels

zoeken we traag naar de tekens,

verrijzenis.

Het water staat laag. In marmeren

armen

murmelt het zacht tegen schepen aan. Stad,

leer mij het onverstaanbare, het

openbare,

de sporen van kleine roeiers over de Taag.

Dubbele bodem, bescheiden binnenrijm, beeldspraak aan banden... Ze doen hun werk, en het resultaat is sublieme poëzie.

Anna Enquist: De tweede helft. De Arbeiderspers, 64 blz. ƒ29,95