May the best man win?

,,Laten we de vlag uitsteken. De benoeming van Lubbers is een succes voor de Nederlandse diplomatie.'' Aldus wordt het Tweede-Kamerlid voor de GVP Van Middelkoop geciteerd in Trouw van 1 november. Wat zullen we nou hebben? Is de Nederlandse diplomatie de hele tijd stilletjes bezig geweest te lobbyen voor Lubbers, in plaats van voor Pronk? Als dat zo is, dan wordt de hele klucht om de benoeming van Lubbers tot vluchtelingencommissaris van de VN nog ondoorgrondelijker dan zij al is.

Maar die mate van machiavellisme kunnen we de Nederlandse diplomatie nauwelijks toeschrijven – en nog minder haar opdrachtgevers. Aangezien Van Middelkoop geen domme jongen is, moet hij zijn uitspraak ironisch bedoeld hebben – daarmee het elfde gebod veronachtzamend, dat wil dat je, zolang niet, naar analogie van het vraag- en uitroepteken, het ironieteken is uitgevonden, je nooit zwart op wit ironisch mag zijn, op straffe van letterlijk genomen te worden.

Wat we wèl van de Nederlandse diplomatie mogen verwachten, is dat ze gerapporteerd heeft dat Pronks kansen helemaal niet zo gunstig waren als ons te geloven werd gegeven. Om dat in te zien hoefde je overigens geen diplomaat te zijn. Een paar weken geleden gaf het Britse weekblad The Economist een Braziliaan de meeste kans, en van de andere kandidaten die het noemde, kwam Pronk helemaal achteraan. (Lubbers kwam op het hele lijstje niet voor.)

Dat is onze makke: te geloven dat de Nederlandse kandidaat altijd ook de beste is en dat, als hij niet wordt gekozen, niet alleen Nederland onrecht wordt aangedaan, maar ook de zaak zelf (of die nu de Europese Unie, de vluchtelingenorganisatie dan wel een of andere internationale bank is). Kofi Annan kunnen we dit verwijt niet maken, want hij gaf de post aan een Nederlander, al was dit, althans in de ogen van de regering, niet de beste.

Daarmee komen we op een ander welig tierend misverstand: Pronk werd veelal in eigen land als de beste kandidaat beschouwd omdat hij zo bevlogen is en zoveel van arme landen afweet. Maar daar was het Kofi Annan helemaal niet om te doen. Hij wilde voor die post een goede manager die gezag had en niet iedereen op de tenen trapte. Dat was Lubbers, die in de jaren '80 Nederland uit het slop had gehaald.

Nu had Nederland bij het laatste getouwtrek nog het voordeel dat de benoeming in grote mate afhing van de keus van de secretaris-generaal van de VN, niet dus van een consensus tussen een aantal, in de praktijk: grotere, landen. Dan spelen allerlei overwegingen van prestige, invloed, ja macht nog een veel grotere rol en valt de post nog minder vaak de beste kandidaat toe.

Dat hebben we in 1990 gezien, toen de regering oud-minister van Financiën Ruding kandidaat stelde voor de post van president van de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling. President Mitterrand had echter die post aan zijn medewerker Attali toegedacht en maakte daar een halszaak van. De Britse en Duitse regeringen zwichtten, hoewel zij Ruding al hun steun hadden toegezegd. Resultaat: Attali maakte er een potje van en moest binnen korte tijd het veld weer ruimen. Maar daar had Nederland niet veel aan.

Nu had in dit geval de Nederlandse regering onhandig geopereerd: zij dong niet alleen naar het voorzitterschap van die bank, maar ook naar de zetel, die Amsterdam moest worden. Dat was natuurlijk vragen om een echec. Nederland viel dan ook in dit geval tussen twee stoelen. Het is dus niet alleen een kwestie van opboksen tegen de, althans in onze ogen, minder fatsoenlijke praktijken van grotere mogendheden, maar ook tegen eigen onervarenheid.

Ook in het laatste geval blonk het Nederlandse optreden uit in dilettantisme – niet zozeer naar buiten toe (waar slechts één partij, Kofi Annan, overtuigd diende te worden), als wel bij de interne beleidscoördinatie. Nog is de onderste steen niet boven, maar wat er wèl bekend is geworden over wat er gebeurd (en niet gebeurd) is tussen de ministers Kok en Van Aartsen, strekt niet tot groter vertrouwen in de Nederlandse diplomatie (althans haar opdrachtgevers). En dat gaat niet aan het buitenland voorbij.

Dat buitenland zal eveneens met belangstelling de val van Duisenbergs reputatie noteren. Wat ook de diepere oorzaken mogen zijn van de glijvlucht van de euro, het optreden van de president van de Europese Centrale Bank – de hoogste internationale post die een Nederlander de laatste decennia heeft verworven – heeft die glijvlucht, zacht gezegd, niet kunnen stoppen.

Het moet je maar gezegd worden dat je, van een aanwinst, een blok aan het been geworden bent, zoals The Economist onlangs over Duisenberg schreef, of dat je de ervaring mist voor zo'n baan als het presidentschap van de ECB, in een vorige functie eigenlijk niet meer dan directeur van een bijkantoor van de Duitse Bundesbank bent geweest, zoals deze week in de International Herald Tribune stond. ,,Wim Duisenberg kan gewoon zijn mond niet houden'', zo begon dat artikel. Die openhartigheid wordt in Nederland als een deugd beschouwd, in het buitenland minder.

Of deze oordelen over Duisenberg billijk zijn of niet – ze zullen het een Nederlandse regering in de toekomst niet gemakkelijker maken een landgenoot voor een belangrijke internationale post geaccepteerd te krijgen – zelfs als hij, niet uitsluitend in Nederlandse ogen, de beste zou zijn.