Hof van Eden in Tasmanië

Matthew Kneale (Londen, 1960) weet wat het is om prijzen te winnen: voor zijn debuutroman Whore Banquets (1987) kreeg hij de Somerset Maugham Award. In dit boek schetst hij de culturele kloof tussen het westen en Japan. Sweet Thames (1992) werd bekroond met de John Llewellyn Rhys Award. Deze roman speelt in de negentiende eeuw en beschrijft de explosieve groei van Londen en de problemen die dat oplevert.

Het onbegrip tussen culturen en de negentiende eeuw keren terug in English Passengers. Deze breed opgezette historische roman vertelt – vanuit twintig personages – het verhaal van de overmeestering van Tasmanië door de Britten rond 1830 en een wetenschappelijke expeditie naar dit zelfde gebied, bijna 30 jaar later.

Deze expeditie wordt geleid door de godsdienstwaanzinnige dominee Wilson. Hij meent daar waar alle Aboriginals in 30 jaar tijd volledig werden uitgeroeid de Hof van Eden te kunnen vinden. Tijdens de expeditie wordt hij begeleid door de racistische doctor Potter en kapitein Kewley. Een opmerkelijk gezelschap: de een zoekt een bijbellocatie, de ander wil wetenschappelijk bewijzen dat Aboriginals extreem dom, want primitief zijn en de kapitein wil eigenlijk alleen zijn smokkelwaar slijten.

De heen- en terugreis van dit gezelschap beslaan een belangrijk deel van het boek. Zoals te verwachten was, verloopt deze tocht niet zonder slag of stoot. Irritaties zijn aan de orde van de dag. Zo beziet de dominee met ingehouden drift hoe een matroos een natte trui boven zijn bed uithangt. Deze ongemanierdheid wordt hem weliswaar vergeven, maar wel schrijft de dominee enkele huisregeltjes uit om die vervolgens boven het bed van de matroos op te hangen. Nog verontwaardigder is de dominee over het gebrek aan waardering voor zijn missen voor de bemanning elke zondag.

Het belangrijkste deel van de roman gaat echter over hoe de Engelsen hebben huisgehouden in Tasmanië. Zonder pardon werden de oorspronkelijke bewoners uitgeroeid of gedeporteerd. Hier geven onder andere enkele gouverneurs en hun minstens zo enge vrouwen hun versie van het leven van de `zielige zwartjes'. De tegenstem is afkomstig van Peevay, een halfbloed-aboriginal.

Hoewel er geen overgeleverde getuigenissen van Aboriginals zijn, voert Kneale er in zijn roman dus wel een op. Peevay strijdt om zowel de erkenning van zijn volk als van zijn moeder. Deze soms wat langdradige gedeeltes zijn weliswaar met veel inlevingsvermogen geschreven, maar de vraag blijft toch waarom het wat de Aboriginals aangaat bij deze Peevay blijft. De vele gouverneurs en commandanten daarentegen zijn te veel van hetzelfde. In alle gevallen komt het er kort gezegd op neer dat alle Engelsen heel erg zijn en alle Aboriginals heel mooi. En vooral deze laatste groep krijgt daardoor nauwelijks een gezicht.

Uit het nawoord blijkt dat het verhaal vrijwel geheel op historische feiten is gebaseerd, maar dan vanuit een hedendaagse, in dit geval ideologiekritische visie. Kneale verklaarde in alle interviews dat het zijn bedoeling is geweest inzicht te geven in wat de Britten in Tasmanië hebben aangericht en hoe twijfelachtige raciale theorieën rond 1850 tot stand zijn gekomen, nota bene met behulp van gestolen schedels. Deze politieke boodschap is te nadrukkelijk aanwezig – `sla mensen aan gort en ze zien er eender uit, ongeacht hun huidskleur of afkomst' – en op die momenten snak je naar de gestoorde dominee en de ironie van zijn zoektocht.

Een humoristisch hoogtepunt vormt het slot. Hierin wordt de tentoonstelling beschreven die is ingericht rondom de Aboriginals, gebaseerd op de buitengewoon gekleurde waarnemingen van dr. Potter, een prachtig staaltje geschiedvervalsing. De achterliggende gedachte is duidelijk: de tentoonstelling is een symptoom van blanke superioriteitswaan. Tegelijkertijd slaak je als lezer een zucht van verlichting bij zoveel cynisme na 450 pagina's politieke correctheid.

Matthew Kneale:

English Passengers.

Hamish Hamilton, 463 blz. ƒ49,95