Haarlems vonnis maakt euthanasie gemakkelijker

De rechtbank in Haarlem is in de zaak-Brongersma voorbijgegaan aan de criteria met betrekking tot hulp bij zelfdoding die in de rechtspraak zijn ontwikkeld. Het risico dat het voor artsen moeilijker wordt om verzoeken om hulp bij zelfdoding te weigeren, wordt daardoor vergroot, meent Ruud Hagenouw.

De rechtbank in Haarlem verleende op 30 oktober ontslag van rechtsvervolging aan de huisarts die in 1998 hulp bij zelfdoding had gegeven aan oud-PvdA-senator E. Brongersma. Een dag later concludeerde de psychiater B.E. Chabot in deze krant dat het vonnis van de Haarlemse rechtbank in de zaak-Brongersma nauw aansluit bij de bestaande jurisprudentie op het gebied van euthanasie en hulp bij zelfdoding. Het is echter zeer de vraag of die conclusie juist is.

De rechtbank heeft een aanpak gekozen die in de ogen van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) afwijkt van de tot nu toe gehanteerde manier van redeneren in de rechtspraak. De rechtbank gaat voorbij aan begrippen en criteria die de afgelopen jaren betreffende hulp bij zelfdoding in de rechtspraak zijn ontwikkeld. Door deze criteria los te laten, neemt de rechtbank het risico dat het voor artsen steeds moeilijker wordt om verzoeken om euthanasie of hulp bij zelfdoding te weigeren. Terwijl juist dat element – de arts die nimmer verplicht is op een dergelijk verzoek in te gaan – een belangrijk onderdeel uitmaakt van de discussie en de aanvaardbaarheidheid van levensbeëindigend handelen. In die discussie speelt immers de eigen verantwoordelijkheid van de arts een grote rol.

De rechtbank sluit niet aan bij het in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde criterium van het `wetenschappelijk verantwoord medisch inzicht'. In plaats daarvan baseert de rechtbank het oordeel dat sprake is van ondraaglijk lijden op een veel weidser begrip, namelijk het bestaan van `goede medisch-ethische argumenten'. Als dat begrip brede ingang zou vinden bij het beoordelen van de zorgvuldigheidseisen voor euthanasie, valt te verwachten dat het bijzonder moeilijk wordt gerechtvaardigde verzoeken om levensbeëindiging af te bakenen van ongerechtvaardigde. Dit temeer nu de rechtbank de mogelijkheid om vanuit het recht sturing te geven aan de criteria voor levensbeëindigend handelen, vrijwel uit handen geeft.

Zo stelt de rechtbank vast dat uit de rapporten van de gehoorde deskundigen naar voren komt dat de vraag of in de zaak-Brongersma sprake was van ondraaglijk lijden niet eenduidig kan worden beantwoord. Ook merkt de rechtbank op dat blijkens de rapporten onder deskundigen in de medische ethiek geen consensus bestaat over de vraag of ondraaglijk lijden eng dan wel ruim zou moeten worden gedefinieerd. Kijkend naar deze twee observaties van de rechtbank zou men menen, mede op grond van de beschermingsfunctie van het recht, dat terughoudendheid geboden is.

Zo niet de Haarlemse rechtbank. Deze volgt de rapportage van de hoogleraar medische ethiek De Beaufort en oordeelt dat bij het ontbreken van consensus gekozen zou moeten worden voor een ruime definitie van lijden. In deze benadering moet er serieus rekening mee gehouden worden dat het zeer moeilijk zo niet onmogelijk wordt het toch al lastige criterium van ondraaglijk lijden in de praktijk toe te passen. Doorredenerend doemt dan een situatie op waarin de relevantie van dat criterium vervaagt, en de wens van de patiënt centraal komt te staan. Het valt niet vol te houden dat we ons dan nog steeds bevinden binnen het kader van de al jarenlange bestaande jurisprudentie.

Het meest opmerkelijke van de zaak-Brongersma is misschien nog wel de neiging om deze zaak te `persen' in het bestaande kader van regels en zorgvuldigheidseisen. Die neiging is niet alleen zichtbaar bij Chabot, maar ook in de reacties op de uitspraak uit de hoek van de huidige coalitiepartijen. Nog in het EO-radioprogramma `Een pittig gesprek' van gisteren liet D66-fractievoorzitter Thom de Graaf zich aldus uit: `Er is weinig nieuws onder de zon'. Geheel anders oordeelt de Amsterdamse emeritus-hoogleraar Leenen in de dit jaar verschenen herdruk van zijn standaardwerk Handboek gezondheidsrecht.

Leenen concludeert daarin naar aanleiding van situaties als die van Brongersma dat deze gevallen ,,van een geheel andere aard zijn dan euthanasie en hulp bij zelfdoding wegens ernstige ziekte of actuele ontluistering''. Leenen is niet tegen levensbeëindiging in dergelijke gevallen, maar pleit er wel voor deze te bespreken in een ander kader, mede wegens de vragen die deze gevallen oproepen over de rol van de arts. Een eventuele regeling van deze gevallen zou naar zijn mening van andere aard moeten zijn dan de regelgeving die nu bestaat ten aanzien van euthanasie en hulp bij zelfdoding.

Het gaat er niet om dat nu voor deze aanpak gepleit moet worden. Dat vergt een langdurig en intensief maatschappelijk debat. Maar het uit elkaar halen van de verschillende categorieën, zoals Leenen doet, verdient verre de voorkeur. Dat is beter dan grensverleggende feiten en redeneringen binnen de bestaande kaders te blijven persen.

R.G.P. Hagenouw is voorzitter van de KNMG.