God houdt niet van analfabeten

Zijn oordeel wordt gevreesd door iedere schrijver. Literatuurcriticus Marcel Reich-Ranicki schreef zijn autobiografie. Op audiëntie in Frankfurt.

,,Gaat u zitten! Nee, niet hier maar daar!'' Zijn vinger priemt gebiedend naar een plaats op de bank, zijn r rolt vervaarlijk, zijn mondhoeken drukken verachting uit. Marcel Reich-Ranicki is een belangrijke man en dat zullen we weten ook. ,,Waar ik ook kwam, daar was Duitse literatuur'', schrijft hij ergens. Net zo goed had hij kunnen schrijven: ,,Waar ik ook kom, daar is angst.''

En verering en afgunst en commotie. En een heleboel amusement. Want de tachtigjarige literatuurcriticus heeft zijn vak grondig ontdaan van het stoffige kamergeleerden-imago. Marcel Reich-Ranicki geeft zijn kennis door aan het volk. Zijn kennis en zijn nooit vage oordeel. Als primarius van het televisieprogramma Das literarische Quartett heeft hij zich ontwikkeld tot een mega-ster waar zelfs gewiekste showmasters bij verbleken. En de roem van MRR, zoals heel Duitsland hem noemt, lijkt alleen maar te groeien. Van zijn vorig jaar verschenen autobiografie zijn al meer dan zeshonderdduizend exemplaren verkocht en nu Mein Leben ook in een pocketversie op de markt is gebracht zal de miljoenste lezer gauw zijn gevonden. De eerste vertaling van Mein Leben is de Nederlandse en ook hier kan het boek aanslaan. Zowel vanwege die grensoverschrijdende sterstatus van de auteur als vanwege de inhoud.

Niet dat de tweede helft van Mijn leven nou zo boeiend is, want die bevat plichtmatige anekdotes uit het Duitse literatuurwereldje en een reeks schrijversportretten die onthutsend oppervlakkig zijn, in vergelijking met Reich-Ranicki's scherpzinnige monografieën over bijvoorbeeld Heinrich Böll en Max Frisch. Maar de eerste helft, over de Werdegang van een joodse jongen in het Derde Rijk, is waardevol als document en als literatuur. In sobere, bijna nuchtere zinnen doet Reich-Ranicki verslag van zijn gymnasiumtijd in het nazi-bolwerk Berlijn, van zijn deportatie, in 1938, naar z'n geboorteland Polen, van zijn vlucht uit het getto van Warschau en van zijn onderduiktijd bij een berooid Pools echtpaar. En van zijn liefde voor het meisje Teofila, een liefde die gelijk opging met zijn passie voor literatuur.

Reich-Ranicki heeft al eerder over die tijd bericht, heel uitvoerig zelfs in het interviewboek Zwischen Diktatur und Literatur, maar wie Mijn leven leest begrijpt nog beter hoe beschamend het voor de Duitsers is dat iemand die zij dood wilden hebben zo'n vurig pleitbezorger werd van de Duitse humanistische cultuur. En hoe logisch het is dat een man die eens zo vernederd werd later genoot van zijn macht.

Maar helemaal te begrijpen is Marcel Reich-Ranicki niet. Aan de ene kant die kille analytische geest, aan de andere kant die felle emotionaliteit. Aan de ene kant die onverdraagzaamheid, aan de andere kant dat constante pleidooi voor tolerantie. Aan de ene kant het zoeken naar zichzelf, in boeken, aan de andere kant het maskeren van zichzelf, met boekenboekenboeken.

Zwembroek

,,Kent u'', vraagt hij temidden van de boekenkasten in zijn Frankfurtse appartement, ,,het fotoboek van mij?'' MRR verdwijnt naar een andere kamer en komt terug met een zwartwit gevaarte. Marcel Reich-Ranicki - Sein Leben in Bildern heet het gloednieuwe werk, en het valt open bij een kiekje van de criticus als zestienjarige: in de zomer, in zwembroek, en een vinger houdt ongeduldig de al gelezen en de nog niet gelezen bladzijden uit elkaar. Hoe anders is het plaatje op de kaft van Mijn leven. Een oude man, heel winters, staat voor een raam te dromen. Hij houdt geen boek in zijn handen en hij wendt zich nadrukkelijk van het publiek af. Geeft het plaatje misschien de binnenwereld van de publieksminnende boekenvriend Marcel Reich-Ranicki weer, zijn Ware Gevoel? ,,Totaal niet. Ik begrijp niet waarom de Nederlandse uitgever deze foto heeft uitgekozen. Maar ach, ik heb er maar geen ruzie over gemaakt.''

Het gefonkel van zijn ogen doet denken aan de `beroemde en beruchte intensiteit van de joden'. Een uitspraak van de joodse schrijfster Rahel Varnhagen, door Reich-Ranicki instemmend geciteerd in zijn boek Über Ruhestörer - Juden in der deutschen Literatur. Waar, zo wil ik weten, komt deze intensiteit vandaan? ,,Weet u dat?'' bitst MRR terug. ,,De intensiteit van de joden heeft met hun temperament te maken. Of dat temperament met het feit te maken heeft dat de joden een oriëntaals volk waren is dubieus, want oriëntaalse eigenschappen hoeven niet tweeduizend jaar lang te bestaan.'' Hij slaat met zijn vuist op zijn knie: volgende vraag alstublieft.

De joden in het Ruhestörer-boek klagen erover dat zij hun bestaan telkens tegenover de Duitsers moeten legitimeren. Spreekt Reich-Ranicki hier namens zichzelf? Sarcastisch zegt hij: ,,Ik klaag niet! Het is toch vanzelfsprekend dat ik mij moet legitimeren! Klar: daar komt plotseling in het jaar 1958 een jood uit Polen naar Duitsland. Hij schrijft kritieken over Duitse schrijvers. Hij schrijft zijn oordelen over Böll en Frisch en Wolfgang Koeppen en Ingeborg Bachmann en vindt: veel is er goed, nog meer is slecht. Natuurlijk stellen de Duitsers dan de vraag: met welk recht beweert die vent al die hoogdravende onzin?''

Steeds opnieuw verdedigt Marcel Reich-Ranicki het bestaansrecht van de kritiek. Maar heeft zij niet allang haar bestaansrecht bewezen? ,,Overal, behalve in Duitsland. Duitsland is het enige land waar de kritiek door de staat werd verboden. Reichsminister Goebbels verruilde de literatuur- en theaterkritiek voor de zogenaamde literatuur- en theaterbeschóuwing. De kritiek moest afgeschaft omdat ze joods zou zijn. Maar de grondleggers van de kritiek in Duitsland waren de achttiende-eeuwer Lessing en de gebroertjes Schlegel: geen van allen baardige Talmoed-onderzoekers, geen joden. Goebbels bewees de joden dus te veel eer. Zij kwamen pas na de grondleggers in beeld. Ludwig Börne, Heinrich Heine, Alfred Polgar, Kurt Tucholsky en ik. Allemaal door hun uitsluiting geradicaliseerde figuren.''

Net als veel andere van de universiteiten geweerde joodse intellectuelen vond Marcel Reich-Ranicki werk in de journalistiek. Bij de Frankfurter Allgemeine Zeitung en bij het weekblad Die Zeit. Heeft hij zijn autodidactische taaltalent te danken aan de rabbijnen in de familie van zijn moeder? ,,Mijn grootvader, die heel oud was en volkomen blind, een provincierabbijn, die voerde graag gesprekken met mij. Hij zei steeds, en ik was toen twaalf: `Ik denk dat jij rabbijn moet worden. Je hebt er aanleg voor, dat merk ik aan je manier van praten.' Toen ik me niet liet overtuigen voegde hij eraan toe: `En weet je, als rabbijn kun je heerlijk nietsdoen.' Hij was een man met humor. Maar of ik die taalvaardigheid van hem heb geërfd? Mijn voorouders van moeders kant waren rabbijnen die zich vooral met juridische kwesties bezighielden. Het is geen toeval dat vier broers van mijn moeder advocaat zijn geworden.'' Het is evenmin toeval dat de argumentatie in Reich-Ranicki's schriftelijke kritieken een haast juridische strengheid heeft.

Goede smaak

Strengheid in dienst van de volkshygiëne. ,,De belangrijkste taak van de criticus is: Müllabfuhr, vuilnis opruimen. Slecht en middelmatig werk de wereld uit helpen om - taak nummer twee - plaats te maken voor goede literatuur.'' Maar wat is goede literatuur? En wat is goede smaak? ,,Goede smaak, dat is het vermogen om te zien waarom Heine's Ein Jüngling/ liebt ein Mädchen een geniaal gedicht is.'' Eenvoud, denkt de oppercriticus, is een blijk van intelligentie.

,,Heine, Goethe en Brecht konden alledrie haarscherp denken. Zij hebben geen donkere lyriek voor de plechtige uren geschreven.'' De veronderstelling dat juist het onbegrijpelijke kunst tot grote kunst maakt vindt hij maar geklets. ,,Faust I noch Hamlet is onbegrijpelijk. Het grootste dat ik in de literatuur ken is begrijpelijk.''

De Verlichting, zie de holocaust, is mislukt, schrijft Marcel Reich-Ranicki. Toch blijft hij de Verlichting propageren. ,,Domweg omdat we de droom van de Verlichting dringend nodig hebben. Verlichting, dat is het geloof aan het woord, aan de rede, het verstand. Ik ben geen lid van de Joodse Gemeente en de laatste keer dat ik een joodse eredienst meemaakte is zesenzestig jaar geleden. Maar ik ben nooit op het idee gekomen me te laten dopen. Een vervolgde minderheid laat je niet in de steek. Men heeft mij gevraagd op welke begraafplaats ik begraven wil worden. Op een totaal a-religieuze begraafplaats kun je niet worden begraven en met de katholieken heb ik niks te maken, dus ik zal wel naar een joodse rustplaats gaan. In wezen passen jodendom en Verlichting wel bij elkaar De schoolplicht voor meisjes in Europa is door joden ingevoerd. Want voor de joden gold altijd als een van de grootste zonden op aarde het analfabetisme. God houdt niet van analfabeten.''

In zijn schriftelijke kritieken realiseert Marcel Reich-Ranicki wat hij van andere schrijvers eist: logica, zakelijkheid, precisie. In Das literarische Quartett echter komt er van die kwaliteitsnorm weinig terecht. ,,Het Literarisches Quartett'', meent MRR mild, ,,is een Plauderei, een gezellige of ongezellige ronde waarin je in een paar zinnen je mening zeggen moet. Serieus te nemen is natuurlijk alleen de gedrukte kritiek. Ik leid dat Kwartet al elf jaar omdat ik nog steeds plezier heb in mijn provocerende rol. Heel veel mensen die naar het programma kijken kopen mijn boeken, lezen de artikelen van mij. Of ze kopen de boeken die ik en mijn collega's aanbevelen. Dus ondanks het lagere niveau bewijst het Kwartet de literatuur goede diensten.''

Joodse raad

De vreselijkste dingen - het getto en de onderduik - beschrijft de auteur van Mijn leven zonder enige pathetiek De vraag is alleen of je bij zulke passages, en waar dan ook, van zelfreflectie moet afzien. ,,Ik heb het effect van de nationaal-socialistische misdaden in Polen getoond. Moet je dat becommentariëren? U heeft gelijk, ik wilde niet reflecteren, het boek is een vertelling. Misschien dat het daarom zoveel lezers trekt.'' De jonge Reich (Ranicki werd pas na de oorlog aan de eerste naam toegevoegd) bekleedde in het getto van Warschau een sleutelpost in de joodse raad. Maar gedachten over eventuele schuld en verstrikking kom je in dat hoofdstuk niet tegen. ,,Nu moet u weten: over de rol van de joodse raden tijdens de Duitse occupatie van Polen zijn veel domme dingen geschreven. Vooral door Hannah Arendt. De joodse raden in de verschillende steden waren totaal verschillend. Er waren joodse raden die een beetje collaboreerden, er waren joodse raden die intensief collaboreerden. In Lódz had je een joodse raad die voor honderd procent heeft gecollaboreerd. Maar bij de ontruiming van dat getto heeft de voorzitter wel het leven van 20.000 mensen gered. De voorzitter van de joodse raad in Warschau, Adam Czerniaków, heeft op de tweede dag van de deportatie van de joden zelfmoord gepleegd. Hij was een held, want hij wilde niet collaboreren. Hij was géén held, want hij heeft geen levens gered. Ziet u hoe moeilijk dat lag?''

Bijna vrolijk vertelt de autobiograaf over zijn activiteiten, van 1946 tot 1949, voor de Poolse geheime dienst. ,,Daar kùn je alleen maar vrolijk over schrijven! Men zei me: we hebben mensen nodig die Duits kunnen spreken, daar in Berlijn is nog veel mis, daar zijn nog nazi-organisaties, daarover moeten wij geïnformeerd zijn. Had ik gezegd: ik doe het niet, dan had ik me nu nog geschaamd. De communisten hebben de joden immers bevrijd. Ik vroeg: wat moet ik in Berlijn dan doen? En zij: dat merk je daar wel. Ik ben dus naar Berlijn getogen, heb niets gemerkt, ben net als in mijn puberteit naar het theater gegaan, naar concerten, naar de opera, en na een tijdje werd ik teruggeroepen. Waarom, wat was er gebeurd? Waarschijnlijk stonden de Russen niet toe dat ik inlichtingen won voor de Polen.

,,Zo! Wat wilt u nu nog weten?''

Waarom de ik-figuur in Mijn leven zo zelden vragen stelt aan zichzelf. ,,Wat voor vragen?'' Bijvoorbeeld: wat heb ik fout gedaan? ,,Laat daar de lezer toch over beslissen!'' Moet een autobiografie dan geen meedogenloos gewetensonderzoek zijn? ,,Dat is een mogelijkheid, maar het hoeft niet per se. Ik heb verteld wat voor de lezers interessant zou kunnen zijn. Zou het interessant geweest zijn als ik had opgebiecht hoe vaak ik met andere vrouwen heb geslapen? Alle erotische scènes heeft mijn vrouw gelezen. Zij, Teofila, heeft ze goedgekeurd. Anders had ik ze niet laten drukken.''

Kinderjaren

Weinig woorden heeft de schrijver van Mijn leven aan zijn kinderjaren gewijd. ,,Die zijn dan ook het saaist. Interessant vind ik mezelf pas vanaf het moment dat ik naar Duitsland kom: toen was ik negen. Ik kon pas beginnen het autobiografische te beschrijven op het ogenblik dat ik begon te denken. Een kind van vijf denkt nog niet. Een kind van negen wel.'' Over zijn vader schrijft hij met lichte verachting. ,,Het was een goedige maar zeer zwakke man. Zijn bedrijf ging in 1929 failliet en we moesten bij een oom om hulp aankloppen.''

Werkte Marcel zo hard aan zijn carrière omdat hij geen mislukkeling à la zijn vader wilde worden? ,,Misschien.'' Waarom nam zijn moeder zo'n sukkel tot man? ,,Lieve God! Hoe moet ik dat nou weten? Ik ben het jongste kind. Mijn zuster: dertien jaar ouder. Leeft nog, woont in Londen, slechte gezondheid. Mijn broer zou nu 89 zijn, hij is door de nazi's vermoord. Met wie kan ik over zulke dingen praten?''

,,Lieve dame'', zegt hij galant, ,,ik moet mijn medicijnen innemen.'' Tegen de hoge bloeddruk. Op het gevaar af dat zijn bloeddruk na het pillenslikken weer in de hoogte schiet vraag ik hem zacht of hij geen spijt heeft van zijn breuk met het Kwartet-lid Sigrid Löffler.

,,O nee! Ik ben zo blíj dat zij weg is! Ik heb genoeg onder haar moeten lijden. Zij is een vrouw die absoluut niets van poëzie begrijpt, die niets muzisch heeft. Maar voor het Kwartet had ze bepaalde voordelen. Ten eerste moet er een vrouw bij zijn, ten tweede een Oostenrijker. Zij is Oostenrijks en vrouw. Maar alle erotische boeken, ook van jullie schrijfster Margriet de Moor, heeft ze afgekraakt. Ik kon dat niet langer verdragen.''

Hoe behandelt Marcel Reich-Ranicki zijn vijanden?

,,Goed, geloof ik. De zwaarste straf: ik lees geen regel meer van wat mijn vijanden schrijven.'' Joachim Fest, de historicus, was eerst een vriend en toen een vijand. Fout was dat Fest bij de presentatie van zijn biografie over Hitler diens slachtoffer Marcel Reich-Ranicki tegelijk uitnodigde met Adolfs bouwmeester en bewapeningsminister Albert Speer. ,,Maar nog fouter was Fests houding in de Historikerstreit. Hij heeft Ernst Nolte, die oude nazi, publiekelijk een hand boven het hoofd gehouden. Jawohl. Staat allemaal in Mein Leben.''

Tenslotte: voelt de mega-ster Marcel Reich-Ranicki zich bij de Duitsers geliefd? ,,Ik voel me niet geliefd. Nog altijd veel te weinig.''

`Mijn leven', 384 blz, vertaling Gerda Meijerink, uitg. Bert Bakker, f 49,50. De Duitse editie is gebonden verkrijgbaar (Deutsche Verlags- Anstalt, 565 blz, f 65,60) en als pocket (dtv, ca f 26,00).

Marcel Reich-Ranicki houdt op donderdag 9 november, 20.15 uur, een lezing in De Rode Hoed in Amsterdam. Reserveren bij De Rode Hoed (020-6385606) of via rodehoed@rodehoed.nl.

    • Anneriek de Jong