Geen woorden, maar daden

Jezus is God niet, schreef H.M. Kuitert twee jaar geleden, maar een joodse leraar. In zijn nieuwe boek neemt de protestantse theoloog ook afscheid van God de Vader. Die doctrine verdraagt zich niet met de rede. Is er nog plek voor godsdienst in een wereld die gelooft in feiten?

Ontmanteling en Terugvinden heten de twee delen van Over religie, waarin de theoloog H.M. Kuitert schoon schip wil maken met de christelijke godsdienst. Het boek richt zich tot mensen die nog altijd geloven, maar niet goed meer weten waar ze aan toe zijn. Kuitert legt hen uit wat er na alle bijbelwetenschappelijke, godsdiensthistorische en filosofische kritiek nog houdbaar is in het christendom. Hij doet dat op een vlotte toon, zonder de pretentie te hebben werkelijk iets nieuws te zeggen.

Toch zal menige gelovige even moeten slikken. Voordat er in het christendom iets kan worden teruggevonden, moet er worden ontmanteld, en daarin gaat Kuitert verder dan ooit. Nadat hij twee jaar geleden in Jezus. nalatenschap van het christendom al had verklaard dat Jezus Christus geen God was, maar een joodse godsdienstleraar die in het leven van de kerk een universele betekenis had gekregen, ontziet hij nu ook God zelf niet meer.

Het woord `God' heeft volgens Kuitert een ongekende inflatie ondergaan. Het begon ooit als een soortnaam: goden waren wezens die tot het bovenmaanse behoorden en van daaruit het menselijk lot bestierden. Toen al die goden werden teruggebracht tot één God, werd het een eigennaam. Het hoogste wezen – aldus Kuitert – heette nog altijd `God', maar niemand wist precies wat hij zich daarbij moest voorstellen. De christelijke vroomheid heeft zich langzamerhand een beeld van die mysterieuze werkelijkheid geschapen waarin God een persoon werd. Alle positieve menselijke eigenschappen (scheppingskracht, liefde, macht, gerechtigheid) werden in hem eindeloos uitvergroot.

Vervolgens werd dat beeld, onder invloed van de moderne wetenschap, weer afgebroken. Zo'n kosmische super-persoonlijkheid bestaat niet. Maar dat betekent volgens Kuitert nog niet dat de godsdienst haar aantrekkingskracht heeft verloren. Mensen zien alleen geen kans meer hun godsdienstige gevoelens een plaats te geven in een wereld die beheerst wordt door wetenschappelijke rationaliteit. Het heeft volgens Kuitert geen zin dwars tegen die laatste in te gaan. Hij wil het bestaansrecht van de christelijke religie bewijzen in gesprek met de wetenschap en probeert haar daartoe vanuit het nulpunt opnieuw op te bouwen. Niet het geloof, maar de rede is in dit boek het criterium.

Hoe verstandig dat ook mag zijn, Kuitert zal er zijn achterban ongetwijfeld opnieuw mee schokken. Niet alleen omdat hij in dit boek ontkent dat God een persoon is, maar minstens zozeer omdat hij het christendom probeert terug te vinden vanuit een algemene religiositeit die op zich niets christelijks heeft. Het is dan ook veelzeggend dat `christendom' niet meer in de titel voorkomt. Het gaat nu om `religie': een woord dat door sommige protestantse theologen werd voorbehouden aan alles wat nu juist niet-christelijk was.

Volgens Kuitert is God geen persoon, maar een `macht' die we ervaren wanneer we ontdekken afhankelijk te zijn van een geheel dat groter is dan wijzelf. Die ervaring overvalt ons bijvoorbeeld bij `het doodsbericht van een vriend in de krant, het sterfbed van je vader met wie je nog zoveel moest uitpraten wat er nu niet meer van komt,' schrijft Kuitert. Maar ook bij `het geluksgevoel, soms weet je niet eens waar het vandaan komt, maar het stroomt binnen, de inspiratie, een kind dat op je schoot zit en alles zit erop en eraan, iemand belt en je dacht dat hij dood was.' Het zijn momenten waarop iemand zijn bestaan niet meer helemaal in de hand heeft, want geluk en rouw kunnen we niet maken.

Die ervaring vormt een soort premie op de omstandigheden die we wèl in de hand hebben, en geeft daaraan hun overweldigende betekenis. We doen die betekenis tekort, meent Kuitert, wanneer we die alleen maar beschouwen als een subjectieve reactie op de omstandigheden. Ze behoort tot onze werkelijkheid, die niet die van de feiten is waartussen alleen onverschilligheid heerst. Dat is de werkelijkheid van de objectieve blik en de wetenschap. Maar over welke werkelijkheid heeft Kuitert het dan, wanneer we er – mèt hem – van uitgaan dat er maar één wereld is?

Dat is een filosofische vraag, die bij de theoloog Kuitert enigszins onderbelicht blijft. Ze wordt helderder beantwoord in de onlangs verschenen studie De maat van de mens van de Nijmeegse filosoof Ludwig Heyde. Hij wijst erop dat we niet allereerst in een naakte werkelijkheid leven, waaraan vervolgens een laagje `zinvolheid' wordt toegevoegd. We bevinden ons van begin af aan in een wereld die tot ons spreekt en door zeggingskracht is gekleurd. Het boek eindigt met een prachtige studie over de dood, die volgens Heyde veel méér inhoudt dan het niet langer functioneren van het lichaam. `Een wezen dat onvoorwaardelijk gerespecteerd behoort te worden, moet in zich door iets onvoorwaardelijks getekend zijn,' schrijft hij. Daarom acht hij het plausibel dat `de mens in zijn volstrekt unieke persoonskern de dood transcendeert.'

Die laatste conclusie lijkt nogal haastig getrokken, alsof uit een morele eis plompverloren een realiteit wordt afgeleid. Maar onwillekeurig klinkt die tegenwerping al wat minder luid, wanneer we weten dat dit boek behoort tot het laatste wat Heyde heeft geschreven. Na de afronding van het manuscript werd bij hem een ziekte geconstateerd waaraan hij vrijwel op de verschijningsdatum van het boek is overleden. Die wetenschap doet aan de argumenten van het stuk weinig toe of af, maar geeft het – achteraf – wel een urgentie, die nu onherroepelijk aan het boek vastkleeft. Het `feitelijke' hoofdstuk is méér dan wat erin staat en dat boezemt een zekere schroom in. Dat `extra' aan betekenis past in Kuiterts begrip van de `macht' die ons overvalt. Het is onmiskenbaar aanwezig, maar niet `feitelijk' te verantwoorden.

Bij dergelijke overwegingen lijkt Kuitert aan te knopen wanneer hij ervoor pleit de betekeniswereld waarin we leven serieus te nemen. We mogen haar niet verbannen naar een private en subjectieve innerlijkheid en haar daarmee van elk objectief gewicht ontdoen. Wanneer ik mijn bestaan ervaar als een geschenk, zegt dat iets over de werkelijkheid van mijn bestaan, aldus Kuitert. En dan is er ook niets op tegen me daarbij een schenker voor te stellen, ook al weet ik dat dit niet meer is dan een beeld.

Is God dan niet meer dan een projectie van dat gevoel? Ja en nee, zegt Kuitert. Onze ervaring het bestaan geschonken te hebben gekregen is echt. Maar om ons daarbij iets te kunnen voorstellen doen we vervolgens alsof er ook sprake is van `iemand' die ons het bestaan geeft. Bestaat God dus? `Ja', zegt Kuitert. Hij is geen objectief constateerbaar `ding' in het universum. Maar hij is wel objectief gegeven als correlaat van onze gemeenschappelijke ervaring. Dus eigenlijk opnieuw: `Ja en nee'.

Dat zijn antwoorden van een bijna katholieke glibberigheid, en dat is des te curieuzer omdat Kuitert nogal eens tegen de Roomse kerk uit zijn slof schiet. Voor de overdadigheid waarmee ze het religieuze universum bevolkt heeft met heiligen en andere representaties van het goddelijke mysterie, kan hij misschien nog enige sympathie opbrengen. Veel ernstiger vindt hij de bekrompenheid waarmee ze haar gelovigen tot voor kort verboden heeft zelf na tedenken. Protestanten, stelt hij trots vast, hebben dat van oudsher al gedaan.

Maar daarmee komt Kuitert wel in de problemen. Want precies die moderne plicht tot zelfstandig denken is ook verantwoordelijk geweest voor de ontmanteling van de traditionele dogmatiek en de deemstering van het religieuze gevoel waartegen hij in dit boek ten strijde trekt. Hij zoekt een geloof dat tegenover de rede plausibel is. Met een Openbaring kun je dan niet aankomen. Dus moet Kuitert beginnen bij de alledaagse ervaring, waarin de zin voor het religieuze, die hij onuitroeibaar noemt, aan het licht komt.

Een dergelijke `natuurlijke' religiositeit gold van oudsher als iets typisch katholieks, waarmee de Roomse kerk in protestantse ogen eens te meer bewees hoe verderfelijk ze was. Dat ze daarmee het unieke karakter van de christelijke openbaring volgens het protestantisme verdunde tot een aards, half-heidens mengsel, bleek al uit het gemak waarmee ze heidense elementen (zoals heiligenbeelden) absorbeerde en tolereerde. De katholieke theoloog Hans Küng kon in de jaren tachtig dan ook zonder problemen constateren dat de verschillende wereldgodsdiensten in een eenzelfde soort religieuze ervaring wortelen.

Wanneer Kuitert daarmee nu kennelijk instemt (en zich en passant ook toleranter toont tegenover de katholieke beeldenpracht en andere `religieuze Spielerei'), maakt hij als protestant dan ook een veel grotere stap dan de katholiek Küng. En vervolgens gaat hij ook nog eens veel verder, wanneer hij schrijft het geen ramp te vinden wanneer het christendom zou ophouden te bestaan om op te gaan in zo'n algemene religiositeit. Verrassend zal dat voor veel protestanten dan overigens niet meer zijn. Met zijn uitgangspunten had Kuitert zich al zo ver van de specifiek christelijke religie verwijderd, dat die afloop bijna onvermijdelijk werd.

Toch wringt er iets in Kuiterts verdediging van het christelijke Godsbeeld als een als-of. Wie bidt, doet alsof God een persoon is, schrijft hij. Maar in werkelijkheid zal iemand die bidt met zo'n als-of niet tevreden zijn. Hij zoekt een verstandhouding tot God, waarin hij op een of andere manier antwoord hoopt te krijgen. Die hoop is sterker naarmate de omstandigheden indringender zijn. Niet voor niets komt in Kuiterts voorbeelden de dood vaak om de hoek kijken. In de hoogste mate geldt het misschien wel wanneer er gebeden wordt voor een overledene. Er zit bij een uitvaart weinig anders op dan met hart en ziel te hopen dat het waar is dat `de engelen U mogen begeleiden naar het Paradijs', zoals tijdens de katholieke rite gezongen wordt.

Het tragische van Kuiterts poging het geloof intellectueel respectabel te maken is dat hij de gelovige veroordeelt tot een soort theoretische `kwade trouw' wanneer deze zich biddend tot God richt. De gelovige doet alsof God een `Gij' was, maar daarmee wordt automatisch ook zijn eigen houding een soort `als-of'. Hij richt zich niet echt tot God. Dat besef zal ook zijn ervaring, die bij Kuitert nu juist zo'n allesoverheersende rol speelt, onvermijdelijk aantasten. Tegen een dergelijke dubbelhartigheid is het religieuze gemoed op den duur niet bestand.

Het `alsof' moet dus radicaler zijn. Het moet zijn eigen toneelspel vergeten en echt worden. Wie werkelijk wil geloven, kan niet anders dan leerstellige waarheden onverkort beamen. Wellicht heeft Ludwig Heyde dat gedaan, toen hij zonder voorbehoud beweerde dat de menselijke persoon de dood transcendeert. En ook Willem Jan Otten heeft dat getracht te doen toen hij in zijn rede Het wonder van de losse olifanten zijn overgang naar het katholicisme verdedigde. Die verdediging mislukte, want wie een absurde sprong voorlegt aan het forum van de rede, heeft het nu eemaal bij voorbaat verloren.

Kuitert heeft met Ottens rede in deze krant de vloer aangeveegd (Boeken, 18.02.2000), maar probeert in zijn nieuwe boek eigenlijk – zij het langs heel andere weg – iets vergelijkbaars te doen. En ook zijn poging strandt op een logische onmogelijkheid, die hij (als niet-katholiek) niet blijmoedig kan ervaren als het inherente raadsel van de godsdienst. Kuitert blijft zich op leerstellig vlak bewegen, omdat hij nog altijd wil beschrijven wat werkelijk het geval is. Daarbij gaat het niet langer om `kosmische' waarheden (God als een werkelijkheid `ergens' in het universum), maar om een ervaring. Kuitert weet die overtuigend te verantwoorden, maar uitsluitend zolang hij daarmee niet bij een concreet geloof uitkomt. Zodra er een `Gij' om de hoek komt kijken, gaat het intellectueel mis. Dan blijkt immers dat datgene wat Kuitert beschrijven wil, alleen maar een `als-of' te zijn.

Het alternatief dat Kuitert zoekt ten opzichte van een ontgoddelijkte, wetenschappelijke werkelijkheid moet zich daarvan dus grondiger onderscheiden. Zolang de godsdienst haar waarheid zoekt op hetzelfde vlak als de wetenschap, zal ze het daartegen altijd moeten afleggen. Het protestantisme en de wetenschap zijn allebei voortgekomen uit dezelfde `onttovering' van de wereld, waarin taal allereerst geacht werd de wereld `af te beelden'. Dat Kuiterts discussie zich geheel binnen die horizon afspeelt en dat godsdienst en wetenschap daarbij om hetzelfde type waarheid strijden, ligt dus wel voor de hand. Maar er is een andere dimensie van taalgebruik denkbaar, waarin de religie meer kansen heeft.

Hoe weinig oog Kuitert daarvoor heeft, blijkt uit het feit dat zijn `schokkende' inzicht in Gods onpersoonlijke wezen in werkelijkheid al minstens duizend jaar oud is. Thomas van Aquino stelde al vast dat iedere voorstelling van God alleen als `analogie' gebruikt mag worden en volgens de negatieve theologie van de late Middeleeuwen was elke omschrijving van God bij voorbaat onjuist. Misschien heeft het katholicisme daarom nooit zo zwaar getild aan het beroemde beeldenverbod uit het Oude Testament. Wellicht voelden katholieken de betrekkelijkheid van de beelden waarmee zij werden omringd, juist dankzij de bijna achteloze omgang ermee, scherper dan protestanten als Kuitert altijd hebben vermoed. De strijd die deze in dit boek moet leveren met het beeld van een persoonlijke God, doet vermoeden dat protestanten – juist door het verbod ervan – door beelden zijn geobsedeerd.

Het is die katholieke ironie die bij Kuitert geheel ontbreekt. Wellicht heeft hij in dit boek juist daarom zo'n heftige strijd te leveren tegen het `beeld' van God-als-persoon en wil het daarom ook met zijn religieuze `alsof' niet goed lukken. Terwijl Kuitert worstelt met de godsdienstige waarheid en het Woord zelfs bij uitstek het beeld van God noemt, is het in het katholicisme nooit allereerst om de dogmatische inhoud en zelfs niet om het woord gegaan. Het katholicisme leeft bij het gebaar en de rite. Ook inhoudelijke geloofswaarheden hebben er allereerst een ritueel karakter. Ze moeten worden herhaald en gereciteerd, als handelingen, niet doorgrond als mededelingen over een stand van zaken in de werkelijkheid. Ze zijn – minstens voor de gelovigen – niet bedoeld om te worden doordacht, wat gezien hun evident absurde inhoud trouwens ook onmogelijk zou zijn.

Kuitert constateert terecht dat de ervaring iets anders is dan het feit, maar vergeet vervolgens dat religie ook iets anders is dan theorie. Ze is een handeling, aan gene zijde van waar of onwaar. Ze bestaat in het slaan van het kruis en het beamen van de geloofswoorden die daarbij horen. Daarna komt de religieuze ervaring – zoals Pascal al wist – vanzelf wel.

Katholieken doen dus niet `alsof', maar doen alsof ze niet doen-alsof. Is dat dan wel intellectueel respectabel? Zeggen dat iemand geboren is uit een maagd, zowel een menselijke als een goddelijke natuur bezit en die laatste weer deelt met twee anderen, met wie hij tegelijk één God vormt, kan alleen maar wanneer het er minder toe doet wát iemand zegt dan dát hij het zegt.

Daarmee verliest elke intellectuele toetsing van de geloofsinhoud haar relevantie. Wat is daar nog christelijk aan? Weinig. Christelijk is dit katholicisme evenmin als de door Kuitert bepleite natuurlijke religie, maar van huis uit gewend aan heidendom in eigen boezem, zit het daar niet erg over in.

Kuitert kan daarmee niet goed uit de voeten. De kloof tussen katholicisme en protestantisme is veel groter dan de oecumene graag wil geloven. Het beslissende verschil ligt niet op doctrinair vlak, maar draait om de vraag in welke dimensie religiositeit zich afspeelt: in die van het denkbeeld of die van de handeling. Daarom is de controverse tussen beide, waarvan in Kuiterts tekst wat verre echo's doorklinken, nog niet voorbij.

Maar er is hoop. Niet lang geleden, schrijft Kuitert, is hij een Beierse barokkerk binnengegaan. Hij ging er een kaars voor Maria opsteken.

H.M. Kuitert: Over religie. Aan de liefhebbers onder haar beoefenaars. Ten Have, 314 blz. ƒ44,90

Ludwig Heyde: De maat van de mens. Over autonomie, transcendentie en sterfelijkheid.

Boom, 205 blz. ƒ39,50

    • Ger Groot