Eeuwige vlam

Bondskanselier Gerhard Schröder keek in de spiegel en trok zijn zwarte das recht. Hoe vaak had hij dit nu al gedaan? Hoe vaak had hij in de hoedanigheid van regeringsleider een krans neergelegd bij een gedenknaald of bij een onbekende soldaat? Al heel wat keertjes. Het leek wel of zijn collegae in Europa het erom deden. Bij elk staatsiebezoek werd hij er weer op uit gestuurd om de slachtoffers van de oorlog te herdenken en dan reden ze en colonne naar een of ander winderig monument. Zwart pak, hoofd omlaag en treurig kijken. President Chirac had hem onlangs nog bij de Arc de Triomphe neergezet, terwijl het ontzettend regende. Wacht maar, die zou hij straks bij het tegenbezoek eens flink te grazen nemen. Schröder zag zijn Franse ambtsgenoot al voor zich. Sturm und Hagel, gebukt onder de last van een net iets te zware krans, zeulend door Dachau. Ha, dat zou hem leren!

Maar nu was het anders. Deze keer, hier in Jeruzalem, stond hij voor het moeilijkste moment in zijn carrière als kranslegger. Deze keer ging het naar Yad Vashem, de gedenkplaats waar de joden hun zes miljoen doden uit de holocaust herdenken.

Er werd op de deur geklopt. Toen liep Gerhard Schröder naar buiten, waar een aantal veiligheidsmannen op hem stond te wachten. Even later zat hij in een zwarte limousine en schoot het landschap onder politiebegeleiding voorbij. Peinzend keek Schröder uit het raampje. De avond tevoren had hij alles zo nauwkeurig op de ambassade doorgesproken. Yad Vashem was de berg van de dood, waar negentien afgeknotte betonnen palen in een groepje bij elkaar staan. Negentien afgebroken zuilen, zo had hij geleerd, die de één miljoen achthonderdduizend omgekomen kinderen symboliseren.

Er brandde ook een vlam, een eeuwige vlam. Men had het zo simpel mogelijk voor hem gehouden. Het enige wat hij hoefde te doen, was aan een hendel trekken. De vlam zou dan vanzelf rijzen ten teken dat er, ondanks al het kwaad in de wereld, nog hoop is voor de mensheid. Die rijzende vlam zou ons zeggen dat wij nog toekomst hebben, dat het leven de moeite waard is om geleefd te worden en dat wij allen aanspraken mogen maken op vrede en geluk. Wij regeringsleiders, dacht Schröder, moeten ons bewust zijn van onze verantwoordelijkheid en wij moeten hier voorgaan in gebaar.

In de verte zag hij de berg van Yad Vashem al liggen en een paar minuten later liet men hem uitstappen. Premier Ehud Barak stond hem op te wachten. Zwijgend gaven de mannen elkaar een hand en daarna liepen zij gezamenlijk op. Het was hier in alle stilte beslist indrukwekkend. Toen hield men halt bij het monument. De vlam brandde, zachtjes en eeuwig. Als de waakvlam van de wereld, dacht Schröder.

Met een handgebaar leidde Barak hem naar de hendel. Als hij die overhaalde, zou de vlam langzaam rijzen. Schröder pakte de hendel. Voorzichtig, Gerhard, voorzichtig. Ineens wist hij het niet meer. Moest hij omhoog of omlaag? Een gevoel van paniek maakte zich van hem meester. Waarom keek Barak hem fronsend aan? Niet langer kon Gerhard Schröder wachten. En hij trok.

Ploep!

Uit.

Het leek of de wereld stilstond. Alle vogels stopten met zingen, geen baby huilde meer en over de wereld trok een slagschaduw die alles verduisterde. Door zijn oogharen zag Schröder hoe Barak stond te gebaren. Barak wees naar de vlam. Weg, niets te zien. Schröder zag ook hoe de Israëlische premier begon te blazen als iemand die een kampvuurtje probeert op te stoken, maar het hielp niet. Zou een grote hand nu uit de hemel neerdalen? Of een vuist? Nee. In plaats daarvan verscheen, zoals later in het persbericht werd vermeld, ,,iemand van de technische dienst met een gasaansteker.''

Een gasaansteker. Was die iemand met zijn gasaansteker misschien God zelf en boog God zich nu met zijn gasaansteker voorover om de eeuwige vlam weer aan te steken? Uit de holte van hand van de man van de technische dienst schoot een vuur te voorschijn. En toen was het weer licht. De man van de technische dienst was even snel verdwenen als hij gekomen was. Godverdomme!, dacht Schröder, er is ook altijd wat met die rotjoden, maar onmiddellijk had hij spijt van die gedachte.