Een en al verlies

Trezza Azzopardi (Norwich, 1961) schetst in haar debuutroman De schuilplaats een inmiddels vertrouwd beeld van de onderkant van de Britse samenleving. In het Maltese immigrantengezin Gauci spelen armoede, overspel en geweld een grote rol.

De belangrijkste vertelster is de jongste dochter, Dolores, die als baby verbrandt nadat haar moeder Mary haar heeft achtergelaten voor de kachel. Op de dag van haar geboorte heeft haar vader Frankie – een voormalige zeeman van Maltese afkomst – dan juist al zijn geld, zijn huis en zijn broodwinning vergokt. `My father's love is Chance.' De schuilplaats kan met recht als een kroniek van verliezen worden bestempeld.

Wanneer Azzopardi over de kleine Dol schrijft, het weerloze jongste kind, met haar afgeschroeide haar en haar littekens, bedient ze zich van een haast poëtisch taalgebruik in een roman die verder gekenmerkt wordt door de afgebeten spreektaal van de onderklasse: `Moet je opletten, Dol, fluistert ze, terwijl ze met de poederdons over mijn wang strijkt. Doe je ogen dicht. Ze strijkt er één, twee keer mee over de zijkant van mijn gezicht. Het ruikt vaag naar lelies. Ze houdt me het spiegeltje van haar poederdoos voor: mijn litteken is bijna onzichtbaar. Ik steek mijn slechte hand uit, zodat die ook gemaakt kan worden.'

De schuilplaats vertelt hoe een gezin `als rijstkorrels' in alle windrichtingen wordt verstrooid. Wanneer hun vader Frankie met de noorderzon vertrekt, belandt moeder Mary in een inrichting. Dol wordt gescheiden van haar zusjes, die ze pas jaren later, op de begrafenis van hun moeder, weer zal ontmoeten. Dan blijkt dat haar zusters, anders dan zij, niet de behoefte hebben om het verleden op te rakelen. Ze weren haar vragen af. Alleen dankzij de vasthoudendheid van een van de zoons van haar oudste zuster Celesta, krijgt Dol op een aantal voor haar belangrijke vragen antwoord.

Hoewel er tussen het leven van de van oorsprong Maltese Azzopardi en het verhaal uit De schuilplaats een aantal overeenkomsten bestaat, maakt de schrijfster duidelijk, onder andere in een vraaggesprek met deze krant (Boeken 13.10.00), dat het verhaal fictief is. Dat het hier om een verzonnen verhaal gaat, blijkt direct uit de complexe, meanderende verteltrant waarvoor Azzopardi heeft gekozen. Het op zichzelf betrekkelijk eenvoudige verhaal over het leven in een arme, Noord-Engelse havenstad wordt gepresenteerd vanuit een voortdurend verspringend perspectief, waarbij de schrijfster maximale vrijheid voor zichzelf heeft opgeëist. Nu eens is de verteller Dol – de ik-figuur – dan weer is het een alwetende verteller; soms speelt het verhaal in het heden, wanneer Dol is teruggekeerd in haar inmiddels verlaten ouderlijk huis in Cardiff, soms wordt er teruggeblikt. Azzopardi benadrukt haar neiging om te experimenteren, door belangrijke woorden midden in de zin met een hoofdletter te schrijven, een eigenaardigheid die in de soms stroeve vertaling niet is gevolgd. Voeg hierbij de neiging van de auteur om van de hak op de tak te springen, zodat je sommige passages wel twee keer moet lezen om te begrijpen waar het over gaat en het is duidelijk dat De schuilplaats geen gemakkelijk leesbaar boek is.

Het lijkt erop dat deze weloverwogen chaos een literair trucje is. Tussen de stortvloed van gebeurtenissen weet Azzopardi hooguit een glimp op te roepen van de binnenkant van haar personages. Tussen het moment dat Dols familie uiteengescheurd wordt en de begrafenis van de moeder – een periode van 25, 30 jaar – zit helemaal niets. In een paar bijzinnen vernemen we dat een zuster is gescheiden, dat een andere kinderen heeft en kanker, maar daar blijft het bij. Waarom we als lezer getuige zijn geweest van hun jeugd, welke sporen zo'n jeugd nalaat, Azzopardi zwijgt er in alle talen over. In plaats daarvan confronteert ze de lezer in het tweede deel – het had veel verwarring voorkomen als dit gewoon het eerste deel was geweest – met nieuwe herinneringen. Frankie was niet alleen een oplichter en een gokker, hij sloeg bovendien zijn kinderen met een broekriem. Dat komt niet echt als een verrassing tegen de achtergrond van het kansloze, beroete en berooide milieu dat Azzopardi dan al heeft neergezet.

De schuilplaats is in Engeland vergeleken met het autobiografische Eens in een brandend huis van Andrea Ashworth, die met onbarmhartige precisie en humor haar eigen jeugd ontleedde. Wat mij betreft zijn beide boeken onvergelijkbaar. Door de literaire pretentie die Azzopardi haar roman heeft meegegeven, schept ze een enorme afstand. De schuilplaats was een beter boek geweest, wanneer Azzopardi een persoonlijker, en minder gekunstelde toon had aangeslagen.

Trezza Azzopardi:

De schuilplaats (The Hiding Place). Uit het Engels vertaald door May van Sligter. De Bezige Bij, 304 blz. ƒ39,90