Dubbelfocus is zo middelbaar

Als er iets is dat Nicolaas Matsier in bijna al zijn boeken hooghoudt, dan is het wel het ouderwetse huisvader- en burgermanschap: de liefde voor eigen huis en familie, de verknochtheid aan directe omgeving en vaste gewoonten, de gerichtheid op het eigen leven en de vele eigenaardigheden van het ogenschijnlijk gewone en vanzelfsprekende dat hem omringt.

In een bundel als Dicht bij huis (1996), die volgde op de autobiografische roman Gesloten huis (1994), zijn mooie staaltjes te vinden van zijn onthechte observaties van het leven van alledag. Hij is goed in de overdrijving, de uitvergroting, in het veralgemenen van het persoonlijke. Toch kleeft er ook wel iets ongemakkelijks aan dit huiselijke genre, dat het meer van zijn formulering moet hebben dan van zijn mededeling. Ik was indertijd wel geamuseerd door Een gebreid echtpaartje (1985), waarin Matsier verslag deed van allerlei eerste ervaringen met zijn kleine kinderen. Maar ik kon me ook voorstellen dat een robuuste schrijver als Jeroen Brouwers er niets aan vond. In een van de brieven in Kroniek van een karakter (1987) meldde hij dat hij de inhoud van `het boekske' meteen na lezing alweer vergeten was, `al is het hier en daar [...] nog zo krokant beschreven.' Een vergelijkbaar soort krokante miniverhaaltjes bundelde Matsier in Meneer Kortom kijkt uit het raam. Ze zijn deze keer vooral gewijd aan de heer des huizes zelf, die zich, om een zweem van fictie te suggeren misschien, meneer Kortom noemt. Als ondertitel kregen de verhaaltjes `Lichamelijke oefeningen' mee, maar uit de hoofdtitel valt al iets op te maken over de beschouwelijke inslag van Matsiers hoofdpersoon, die niet zozeer aan hardlopen doet, alswel `de looppas beoefent'. Aan wandelen geeft de ietwat bezadigde heer Kortom boven alle andere bewegingsvormen de voorkeur. De stukjes zijn gewijd aan zaken als de stijve nek, de niet geheel onvoorwaardelijke kattenliefde, de tweede woning of de slapeloosheid van meneer Kortom. Stuk voor stuk zijn ze goed geschreven en stuk voor stuk bevatten ze mooie, geestige of verrassende zinnen, zoals deze over de op sterven na dode poes Foti, die griezelig mager is geworden. `Foti is bijna niet meer te aaien. Dat wil zeggen: zijn vel wel maar hijzelf, daarin, niet of nauwelijks.' Of over de nieuwe bril die meneer Kortom al jaren had moeten hebben: `Hij heeft er geen haast mee gemaakt. Dubbelfocus is meteen zo middelbaar.'

Waar het al die wel leuke stukjes, over dat wel leuke, nadenkelijke, lichtelijk wereldvreemde personage aan ontbreekt, is substantie, soms ook een clou. De beschrijving van de dagelijkse avonturen van meneer Kortom is te beknopt en te precieus om ons te kunnen laten doordringen in zijn wezen. We komen wel van alles te weten, over zijn oren bijvoorbeeld, die geregeld uitgespoten moeten worden, of over zijn klauwhand, die geopereerd moet, zijn zoekgeraakte boterhammen, zijn behoefte zich nat te scheren zoals het een echte man zou betamen en over zijn ergernis over haren in de wastafel, maar waarom wij dit allemaal zouden moeten weten, wordt niet echt duidelijk.

Achter al dit onvermoeibare geschrijf over eigen huis en haard, gaat iets schuil dat zich, tussen de welgekozen en uiterst bedachtzame formuleringen door, af en toe heel even laat vermoeden in een plotseling wat heftiger toon: de angst dat al dat huiselijk geluk hem ooit zal worden afgenomen.

Nicolaas Matsier treedt zaterdagavond op tijdens het Crossing Border-festival in Paradiso