De prijs van spijt

Slachtoffers van vervolging eisen steeds vaker groepsgewijs morele en financiële genoegdoening. Maar kunnen excuses onrecht goedmaken? Een nieuwe studie introduceert het begrip `Neo-Verlichting', om groepsrechten een plaats te geven in het liberale erfgoed.

Onze cultuur is aan het veranderen in een slachtoffercultuur: wie maar bereid is snikkend voor een publiek forum zijn of haar leed uit te dragen, is verzekerd van aandacht, aanzien en daardoor een zekere macht. Aldus een populaire visie op de wereldwijde trend om aandacht en zo mogelijk compensatie te vragen voor leed en onrecht dat minderheden en inheemse volkeren is aangedaan door, ja door wie eigenlijk? De daders liggen veelal op het kerkhof, net als de meeste directe slachtoffers.

De thematische studie The Guilt of Nations van Elazar Barkan geeft, zoals de titel doet vermoeden, een duidelijk antwoord op dit probleem. In de dubbelzinnigheid van het Engels guilt, dat zowel `schuld' als `schuldgevoel' betekent, schuilt de visie van de auteur: ook al is schuld niet erfelijk, toch voelen huidige generaties zich verantwoordelijk voor onrecht dat door hun ouders, grootouders of nog verder verwijderde verwanten begaan is. Of dit nu in het relatief nabije verleden van de shoah is, of in het verdere verleden van koloniale expansie en slavernij.

Dit schuld- of verantwoordelijkheidsgevoel heeft op zijn beurt weer geleid tot een ware hausse in excuses. Als we Elazar Barkan mogen geloven, verdringen de machtigen der aarde zich om hun spijt te betuigen over in het verleden begaan onrecht. De vraag die zich aandient, is of Barkans wens hier niet de vader van de gedachte is: uit zijn eigen boek blijkt meer dan eens, dat excuses ofwel afgedwongen moeten worden, ofwel in het geheel niet worden gemaakt waar zij wel op hun plaats zouden zijn geweest.

Restitutie

In een fascinerend overzicht laat Elazar Barkan zien welke bewegingen voor `restitutie', zoals hij het complex van excuses en economische compensatie noemt, na de Tweede Wereldoorlog zijn ontstaan, de ene in rechtstreeks verband met die oorlog, de andere als gevolg van het dekolonisatieproces, maar gemodelleerd naar de moeder van alle restitutiebewegingen, de joodse Claims Conference, die vijftig jaar geleden Duitsland wist te bewegen tot het betalen van compensatiegelden aan zowel individuele overlevenden als aan de jonge staat Israël. Het was op dat moment een uniek en nieuw verschijnsel dat een groep slachtoffers van onrecht als groep compensatie eiste.

In het verleden – denk aan de Eerste Wereldoorlog – vond alleen financiële vergoeding plaats als afsluiting van een conflict tussen staten: de winnende partij legde de overwonnene herstelbetalingen op, zoals gebeurde bij de Vrede van Versailles. Om niet opnieuw aanleiding te geven voor Duitse frustraties, besloten de geallieerden na de Tweede Wereldoorlog om Duitsland dit keer geen herstelbetalingen af te dwingen. Ook de joodse claims werden niet door hen gesteund. Hoe het dan toch mogelijk was dat een groep slachtoffers, die geen beschikking had over de machtsmiddelen die staten gebruiken bij de afwikkeling van conflicten, `restitutie' (excuses en geld) kreeg, beschrijft Barkan in het eerste hoofdstuk van The Guilt of Nations. De behoefte aan compensatie aan joodse kant spreekt voor zich: de ontredderde en berooide overlevenden moesten zien een nieuw leven op te bouwen, de jonge staat Israël had de taak een groot deel van hen op te vangen en tegelijkertijd het eigen land op te bouwen. Duitsland had aan de andere kant grote behoefte aan rehabilitatie.

Vergiffenis

In de Duitse visie zouden de joden hun in ruil voor excuses en geld, vergiffenis schenken. Dit was niet het geval; de Claims Conference, door honderden joodse organisaties opgericht voor onderhandelingen met Duitsland, formuleerde vijf eisen: Duitsland moest de morele verantwoordelijkheid voor de nazi-misdaden erkennen; het moest wetgeving opstellen tegen antisemitisme; het moest de nationalistische mentaliteit van de eigen ambtenarij bestrijden; en het moest de eigen jeugd `heropvoeden'. Pas de vijfde eis had betrekking op materiële restitutie.

Volgens ditzelfde model eisten aan het einde van de jaren zeventig de Japanse Amerikanen met succes excuses en compensatie voor hun gedwongen internering tijdens de oorlog. In de jaren negentig volgden de `troostvrouwen', die tijdens de bezetting van hun land door de Japanners in de Tweede Wereldoorlog tot prostitutie waren gedwongen. Deze restitutiebeweging is overigens tot op heden zonder werkelijk resultaat gebleven: meer dan een halfslachtig en later weer ingetrokken excuus van premier Miyazawa in 1992 kon er niet af. Dit heeft alles te maken met de nationale mythologie van Japan, dat zich door de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki ook als slachtoffer kan presenteren.

In de jaren negentig heeft de afwikkeling van de Tweede Wereldoorlog in Europa nog een vervolg gekregen. Na de val van de communistische regimes kregen de joodse gemeenschappen in die landen voor het eerst de mogelijkheid hun eerst door de nazi's en vervolgens door de communisten geconfisqueerde bezittingen, vooral synagogen, terug te eisen. Ook werden voorheen ontoegankelijke archieven opengesteld, waardoor `verdwenen' eigendommen getraceerd konden worden. Eigenaardig in deze context is het hoofdstuk dat Barkan wijdt aan het conflict tussen Duitsland en Rusland over de wederzijds gestolen kunstschatten. Hier gaat het om een `klassiek' conflict tussen staten, dat naar mijn mening niet thuishoort in dit overzicht van restitutie van staten aan groepen die nu juist niet worden vertegenwoordigd door een staat.

Eveneens in de jaren negentig besloot het Joods Wereldcongres dat de Zwitserse banken nu wel genoeg tijd hadden gehad om hun kluizen goedschiks te openen voor de (nabestaanden van) joden die getracht hadden hun bezittingen daar in veiligheid te brengen. Al sinds het einde van de oorlog hadden overlevenden en nabestaanden van slachtoffers geprobeerd toegang te krijgen tot de tegoeden in de Zwitserse banken. Deze hadden echter een strategie gevolgd van het stellen van onmogelijke eisen (`zonder overlijdenscertificaat kunnen wij u niet van dienst zijn'), ontkenningen en vertraging. Pas toen het Joods Wereldcongres de zaak in handen nam en media en politiek inschakelde, begon het Zwitserse verzet te breken onder het gewicht van de internationale publieke opinie.

In het tweede deel van The Guilt of Nations behandelt Barkan de erfenis van het kolonialisme. Of het nu gaat om bijna uitgemoorde inheemse volkeren als de Amerikaanse Indianen en de Australische Aborigines, of om de van hun zelfbeschikkingsrecht beroofde Hawaiianen en Nieuw-Zeelandse Maori's: sinds de jaren zeventig hebben zij zich in toenemende mate georganiseerd in NGO's (Non-Governmental Organisations), die volgens het model van de Claims Conference optreden als vertegenwoordigers en onderhandelaars met de regeringen van hun landen.

Uiteraard gaat het hier om andere, en vooral oudere, conflicten, die voor de betrokkenen echter niet minder pijnlijk zijn en die in de loop van de eeuwen grote materiële en culturele schade hebben aangericht. Ook hier gaat het om erkenning van morele verantwoordelijkheid en althans gedeeltelijke compensatie voor de meestal niet te berekenen materiële schade die het kolonialisme heeft aangericht door diefstal van land en water, door de vernietiging van de inheemse sociale structuren en vaak ook nog de decimering van de bevolking. Hawaii, dat Barkan uitgebreid bespreekt, is een goed voorbeeld. In 1893 werd de koning van Hawaii afgezet door Amerikaanse burgers, met oogluikende toestemming van de VS. Honderd jaar later volgden officiële excuses en gedeeltelijk herstel van soevereiniteit.

Hoewel het begrip zeker ook van toepassing is op de nasleep van de Tweede Wereldoorlog, introduceert Barkan in dit tweede deel pas zijn theoretisch kader: de `Neo-Verlichting', een term voor de uitbreiding van het Verlichtingsdenken met `groepsrechten' als aanvulling op de individuele mensenrechten. De idee is, dat het westerse liberale denken, dat zijn wortels heeft in de Verlichting, onvoldoende recht doet aan de vooral communaal georiënteerde gemeenschappen van inheemse volkeren, die vaak geen privé-bezit van land kennen of individuele auteursrechten op kunstuitingen.

Spanningsveld

Terecht stelt Barkan dat de Neo-Verlichting zich daarmee in een potentieel conflictueus spanningsveld bevindt tussen de rechten van het individu en die van de groep. Heeft een individuele Indiaan het recht op de heilige plaatsen van zijn volk als sjamaan op te treden voor New Age-groepen en daarmee, in de ogen van zijn stam, zijn religie te ontheiligen? En omgekeerd: heeft de stam het recht zijn leden te verbieden op een dergelijke wijze zijn culturele erfgoed te exploiteren? Er zijn hier geen gemakkelijke of eenduidige antwoorden: de `natuurlijke' westerse reactie is het individu in bescherming te nemen tegen de groep, maar zo'n reactie houdt geen rekening met de kwetsbaarheid van een kleine, materieel en spiritueel vrijwel vernietigde groep, die bovendien geen gebouwde heiligdommen heeft, zoals moslims en joden die hebben, waar ongewenste bezoekers de toegang kan worden ontzegd.

In het laatste hoofdstuk probeert Barkan een aanzet tot een restitutie-theorie te formuleren, gebaseerd op de principes van zijn Neo-Verlichting. Hoewel hij aannemelijk weet te maken dat restitutie, en daarmee de dialoog tussen staten en in principe machteloze minderheidsgroepen, een onstuitbare opmars doormaakt in de interne en internationale politiek, is zijn optimistische inschatting dat restitutie `het toenemende gewicht van moraliteit en democratisering van de politiek belichaamt' te utopisch. Barkan noemt weliswaar enige keren de gruwelijke etnische conflicten van de jaren negentig in Bosnië, Rwanda en Kosovo, maar weet deze niet te plaatsen in zijn betoog.

Nog afgezien van zijn overschatting van de morele drijfveren van voormalige onderdrukkers en agressor, in de praktijk bepaalt vooral de afweging tussen schade aan het imago en economische kosten van compensatie of landen bereid zijn tot restitutie. Het is maar de vraag of uit de onderhandelingen over restitutie – zoals Barkan denkt – voor beide partijen een nieuwe identiteit en een gezamenlijk geconstrueerde geschiedenis zal ontstaan. Zulke visioenen van verzoening en wederzijds respect roepen vooral beelden op van de harmonieuze verhoudingen aan boord van het ruimteschip in de tv-serie Star Trek.

Elazar Barkan: The Guilt of Nations. Restitution and Negotiating Historical Injustices.

Norton, 414 blz. ƒ87,55