De Drenten werden drie centimeter kleiner

Uit de roman Publieke Werken van Thomas Rosenboom is mij vooral de passage bijgebleven waarin de Hoogeveense apotheker Anijs, op weg naar de Veldelingen in het veen, twee kleuters passeert `die in de berm zwijgend zaten te zoeken naar wormen en slakken voor de kip'. Rosenboom laat de lezer pas later ontdekken dat deze kinderen niet naar wormen en slakken zochten, maar onverteerde graankorrels uit nog verse paardenstront peuterden om die op te eten. De ontstellende armoede in de Drentse venen kan nauwelijks indringender onder woorden worden gebracht. Naar het zich laat aanzien heeft Rosenboom zich echter op het verkeerde been laten zetten.

In het noorden van ons land is een deel van het historisch gilde zich aan het verzetten tegen dit ongenuanceerd hameren op het aambeeld dat leven en werken in het veen synoniem zou zijn met zware arbeid, plaggenhutten, gedwongen winkelnering en jenever. De provinciaal historicus van Drenthe, Michiel Gerding, werkt al meer dan een decennium aan een bijstelling van het beeld. Hoewel zijn argumentatie plausibel klinkt, hebben zijn studies veel irritatie opgeroepen. Er is, zowel in de regionale pers als in historische periodieken, een vinnige discussie gevoerd over wat wel de `huttenlegende' genoemd wordt. Onlangs werden de relevante bijdragen aan deze controverse gebundeld en binnenkort vindt een symposium plaats om te proberen uit de impasse te komen. Uitgaande van de door de Groningse historicus Richard Paping samengestelde bundel De extreme armoede van arbeiders in de Drentse venen, vrees ik dat vooral één partij de hakken nog dieper in de grond zal slaan.

Waar draait deze stammenstrijd om?

Aan de ene kant staan onderzoekers als Gerding, die vraagtekens zetten bij het idee van een enorme armoede in de venen. Volgens hen viel die wel mee. Aan de andere kant staat een groep rondom de deze zomer overleden historisch-geograaf en PvdA-politicus Meent van der Sluis. Deze groep legt juist de nadruk op de extreme armoede van de Drentse veenarbeiders en wijst elke nuancering van die armoede van de hand. Er moest gedurende de gehele periode van de vervening ongemeen hard worden gewerkt voor een zeer schraal bestaan. Het lijkt erop dat met het afronden van steeds meer detailonderzoeken de positie van de groep rondom Gerding alleen maar sterker wordt.

Veenkeet

Het bestaan in het veengebied was inderdaad zwaar, maar, zo stelt Gerding, gold dat niet voor het overgrote deel van de arbeidersklasse in de tweede helft van de negentiende eeuw? Was de Amsterdamse kelderwoning zoveel beter dan de veenkeet? Hij meent dat het beeld van de relatief arme Drentse veenarbeider een mythe is, ontstaan gedurende een korte zeer ongunstige periode in de vervening in de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw.

Gerding heeft helder beschreven wat er in de jaren twintig feitelijk aan de hand was en hoe het imago van een verpauperd Zuidoost-Drenthe bewust door de provinciale overheid werd gecreëerd. Om de crisissituatie in het veen vanaf 1921 beter te begrijpen, voert hij de lezer terug naar de Eerste Wereldoorlog, toen Nederland voor zijn brandstofvoorziening geheel op zichzelf was aangewezen. Dat leidde tot een sterk groeiende vraag naar allerlei soorten turf. Gestimuleerd door de overheid trokken velen naar Zuidoost-Drenthe, waar voor iedereen geld te verdienen viel.

Door de toeloop was er een enorm gebrek aan huisvesting en moest genoegen worden genomen met iedere denkbare vorm van onderkomen. Daar stonden aanzienlijke lonen tegenover, die aan het eind van de oorlog twee tot drie keer zo hoog waren als in het begin. Omdat de meeste veenarbeiders een groot deel van hun eigen voedsel verbouwden en ze voor hun eigen brandstof zorgden, ondervonden ze weinig nadeel van de stijgende kosten van levensonderhoud. Paping heeft fragmenten uit de memoires van de Drentse anarchist Harmen van Houten opgenomen, waarin deze spreekt over een `welvaartsparadijsje' en een tijd `waarin ontzaglijk veel geld was verdiend'. Veel veenarbeiders openden in deze jaren een spaarrekening bij het postkantoor. Van Houten merkt op dat het hele gezin zomaar een nieuwe fiets kreeg.

In 1920 kwam een abrupt einde aan de voorspoed. De steenkolenhandel kwam veel sneller weer op gang dan verwacht en de verveners konden hun turf aan de straatstenen niet meer kwijt. Van het ene seizoen op het andere zat men in Zuidoost-Drenthe opgescheept met een geweldig arbeidsoverschot, een structureel wegvallende vraag en een tekort aan alternatieve seizoenarbeid. Ook zonder de Eerste Wereldoorlog zou de turf het hebben afgelegd tegen de steenkool; dat proces was al voor de oorlog in volle gang. Maar de intensiteit en de scherpte van het proces van neergang, hing vanaf 1921 direct samen met de boom daarvóór. En, zo is de centrale stelling van Gerding, de diepe crisis was niet representatief voor de gang van zaken in elk willekeurig veengebied in elk willekeurig tijdvak.

De provinciaal historicus van Drenthe, in 1995 gepromoveerd op een studie naar de omvang van de verveningen in Noord-Nederland, heeft eveneens uitgezocht hoe juist deze vrij korte periode van diepe crisis verantwoordelijk is voor het negatieve imago van het veenarbeidersbestaan. Op instigatie van de SDAP werden overal steuncomités opgericht om de noodlijdende Drentenaren te ondersteunen. Deze oproep was een groot succes. Volgens Gerding had de stroom aan krantenartikelen en vooral fotoreportages een enorme impact.

Niet alleen de geïllustreerde bladen, zoals Het Leven, maar ook de serieuze dagbladen, konden er maar geen genoeg van krijgen en deden niet voor elkaar onder in hun streven naar de meest larmoyante plaatjes. Het door de commissaris van de koningin van Drenthe opgerichte Centraal Actie Comité spande zich in om journalisten en fotografen naar de meest geschikte plekken te leiden, met als `hoofddoel de liefdadigheidszin onder lezers op te wekken'.

Misoogsten

De bezwaren van Van der Sluis tegen de benadering van deze `mythe-historici' hebben vooral een politiek karakter. Bij de revisionisten ontbreekt volgens hem een analyse van het onderdrukkingssysteem en zoekt men vergeefs naar de positieve waarden van de arbeidersbeweging zoals solidariteit, strijdbaarheid en geestelijke verheffing. De polemische toon van hun verweer is best amusant, maar weinig overtuigend.

Een belangrijke bouwsteen aan dit debat draagt Vincent Tassenaar bij met zijn proefschrift over de biologische levensstandaard van de Drentse bevolking in de eerste helft van de negentiende eeuw. Op basis van de keuringsrapporten van Drentse 19-jarige jongens (voor militaire dienst) komt hij tot opmerkelijke conclusies over de verschillen in levensstandaard tussen de onderscheiden beroepsgroepen en gebiedsdelen in Drente. Zo komt Tassenaar tot de ontdekking dat de Drentse bevolking, over de gehele linie, tussen 1820 en 1860 ruim drie centimeter kleiner werd (van 1.65 naar 1.62 m). Hij schrijft dit vooral toe aan de doorwerking van de aardappelmisoogsten tussen 1845 en 1848.

Tassenaar waagt zich, op basis van ingewikkelde statistische berekeningen, aan uitspraken over de levensstandaard van de veenarbeiders. Deze omschrijft hij als `relatief gunstig'. De turfwinning bleek vooral na 1845 een positief effect te hebben op de biologische levensstandaard, zodat de veenarbeiders aan het eind van de jaren vijftig beter gevoed waren dan de andere Drentse arbeiders.

Hij voert twee oorzaken voor deze gunstige ontwikkeling aan. Enerzijds sloeg de aardappelziekte in de veengebieden minder hard toe, omdat de schimmel zich op de afgegraven veengronden minder snel uitbreidde. Op het hoogveen werd daarnaast op grote schaal boekweit verbouwd, zodat de veenarbeiders er een alternatief hadden voor de aardappel. Anderzijds zorgde de continue uitbreiding van de turfwinning voortdurend voor een vraag naar veenarbeiders. Daardoor konden zij een hoog loon bedingen.

Deze beschrijving staat haaks op het verslag dat Piet Bakker driekwart eeuw later schreef: `Toen zijn zij uitgebarsten in wild verzet. De veenhopen werden in brand gestoken. Hongeroptochten gingen langs de lange, lange veenkolonies naar het gemeentehuis om daar de nood uit te schreeuwen. Koeien werden op de weide geslacht en aan stukken gescheurd. Ik heb ze bezocht, die dierachtige woonholen. De kinderen waren zo bleek. Zij hadden puntig gezwollen buikjes, door de eenzijdige aardappelvoeding'. Ligt dit verschil in toon nu aan de mate van engagement of is dit het onderscheid tussen feit en fictie?

Richard Paping (red.): De extreme armoede van arbeiders in de Drentse venen in de negentiende en eerste helft van de twintigste eeuw. Mythe of harde werkelijkheid. Boon Uitgeverij Groningen,

236 blz. ƒ39,95

Vincent Tassenaar:

Het Verloren Arcadia. De biologische levensstandaard in Drenthe,1815-1860. Labyrinth Publication, 313 blz. ƒ35,–