Caroline Coolen

De Belgische beeldend kunstenares Caroline Coolen (1969) zit nog op de postacademische opleiding aan de Hogeschool voor de Kunsten in Antwerpen, maar heeft de veiligheid van het klaslokaal al ver achter zich gelaten. Ze exposeerde veelvuldig in België en maakte dit najaar haar debuut in een Nederlandse galerie als een van de deelnemers aan `10 x 10', de jubileumtentoonstelling van galerie Van Wijngaarden in Amsterdam. Anna Hakkens en Piet van Wijngaarden ontdekten haar werk per toeval tijdens een bezoek aan Antwerpen en presenteren nu met trots de eerste solo-tentoonstelling van Coolen, wiens werk ze `krachtig, subliem en poëtisch' vinden, maar óók `sympathiek en bescheiden'.

Dat laatste kan alleen slaan op de eerste, oppervlakkige indruk die Coolens vreemde beelden maken. In een hoekje achterin de galerie hangt een portret in groene was van een zielig hondje. Het heeft mensenogen en weent echte tranen, zo dik als die van een zigeunerkindje op een kitsch-schilderij. Onder het hondje hangt een wastafel, ook van groene was, waarin de tranen kunnen worden opgevangen. Wie dicht op het beeld gaat staan, wordt verrast door de bonte samenstelling ervan: onder het waslaagje zijn spijkers en schelpen te zien, en knopen en stukjes papier. Coolen gebruikt veel gevonden voorwerpen in haar kunst.

Behalve het hondje zijn alle werken op de tentoonstelling onaangenaam, luguber en een beetje vies. En zo wil de kunstenares het ook. Haar `Varkens' (1998) zijn twee in losse onderdelen uiteengespatte zielepoten, waarvan de koppen en poten uit kartonnen dozen steken. Hun lichaamsdelen zien er huiveringwekkend echt uit, en die indruk klopt: het zijn de gipsen afgietsels van echt slachtafval. `La vache qui rit' (1999) is een enorme, bloedrood geverfde koeienkop van kunststof, waarvoor opnieuw een echte slachtkoe als basismateriaal diende. De naar achteren getrokken lippen van het dode beest laten nog net de randjes van een paar enorme tanden zien, en uit de kin steken dikke haren. Als je achter het hoofd kijkt, constateer je tot je opluchting een glad vlak.

Tegen de muur van de galerie leunt een groen reebokje zonder oren of staart, dat met zijn verminkte hoefjes aan de ijzeren stellage van een oud poppenwiegje is vastgebonden. En dan zijn er nog twee versleten, rood-wit-blauwe motorlaarzen, die naast een overreden kalf staan. Het kalf is een uitgemergelde torso van gips, geverfd in dezelfde kleuren als de laarzen, beplakt met fragmenten van een landkaart met stukken autoweg erop en gesigneerd met `M. Robert'- misschien wel de naam van de schuldige motorrijder. De laarzen hebben geen spijt van wat ze hebben gedaan: ze staan er zelfverzekerd bij, hun punten ver uit elkaar, en schamen zich nergens voor.

Het werk van Coolen bevat veel van dit soort botte, politiek correcteboodschappen. Wie graag motorrijdt en houdt van een sappige biefstuk op zijn tijd, zal snel van die gewoonten zijn genezen na bestudering van Coolens beelden. Wie liever fietst en toch al vegetarisch was, verlaat haar tentoonstelling enigszins beduusd, en een beetje misselijk.

Caroline Coolen, t/m 11 nov in Van Wijngaarden Galerie, Lijnbaansgracht 318, Amsterdam.

Inl. 020-4217440.

Open wo-za 13-18 u.