Achtervolgd door haar schaduw

De Verlichting geldt als het begin van de moderniteit, beheerst door rede en wetenschap. Engeland liep daarbij voorop, al krijgt Frankrijk vaak de meeste eer. Maar de achttiende eeuw was complexer dan het cliché wil: de Verlichting droeg haar tegendeel al in zich.

Zodra de vraag `Wat is Verlichting?' zich aandient, verwijzen historici graag naar Kant. In 1783 gaf de filosoof in het Berlinische Monatsschrift een beroemd geworden antwoord op deze vraag: `Verlichting is het uittreden van de mens uit de onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten heeft'. Hij citeerde er ook nog Horatius bij: `Sapere aude. Heb de moed je van je eigen verstand te bedienen!' Een dapper parool, dat alleen in de rest van het antwoord ietwat voorzichtiger blijkt uit te pakken. Alleen als `geleerde' mocht de mens zich de vrijheid van die durf permitteren, als burger, ambtenaar of soldaat moest hij braaf zijn voorgeschreven plicht doen.

De reden voor die voorzichtigheid is niet moeilijk te raden. Het Duitsland waarin Kant leefde was immers allesbehalve een verlichte natie. Verdeeld over honderden vorstendommen en staatjes, werd het geregeerd door veelal absolute heersers, die van hun volk geen durf maar gehoorzaamheid verlangden. Zo ook Kants eigen koning Frederik de Grote. Op zijn buiten Sans Souci mocht deze verlichte despoot vrijmoedig converseren met Franse filosofen, zijn Duitse onderdanen werden met Pruisische tucht onder de duim gehouden. Dat hij nu al in `een verlichte tijd' leefde, vond Kant dan ook een voorbarige conclusie; hij leefde in `een tijd van Verlichting' – een taak en een streven, allerminst een behaald resultaat.

Ook in het achttiende-eeuwse Frankrijk, gedomineerd door een absolute vorst en een almachtige kerk, was de `verlichte tijd' nog nauwelijks aangebroken. Toch wordt de Verlichting, die Europese poging om met de ratio als kritisch wapen alle traditionele waarden en waarheden binnenstebuiten te keren, doorgaans allereerst met Frankrijk geassocieerd. Bij het horen van het woord denkt iedereen aan Voltaire, Montesquieu, Diderot, Rousseau.

In Het licht der rede, een door Cyrille Offermans samengestelde bloemlezing van klassieke teksten uit de Verlichting, zijn de Fransen niet toevallig in de meerderheid. Naast proza-fragmenten van de vier genoemde philosophes zijn passages uit de Encyclopédie opgenomen, alsmede het tiende hoofdstuk van Condorcets Esquisse d'un tableau historique des progrès de l'esprit humain (1794), een visionaire verkenning van de toekomst en een onbekrompen bejubeling van de Vooruitgang.

De Franse Verlichtingsdenkers hebben wèl hun uiterste best gedaan om van Frankrijk een moderne natie te maken, meestal zonder een uitzinnig vooruitgangsoptimisme à la Condorcet. Zij geloofden in redelijkheid, wetenschap, vrijheid en tolerantie, en zij keerden zich tegen fanatisme, onrecht en dogmatiek. Dat bracht hen geregeld in botsing met kerk en overheid, die over censuur, rechtbanken, Index en lettres de cachet beschikten om deze weerspannige geesten een lesje te leren. Diderot en Voltaire zagen vanwege hun geschriften de gevangenis van binnen, de Encyclopédie werd halverwege de uitgave verboden (zij 't niet vanwege het artikel `De l'esprit' van Helvétius, zoals Offermans schrijft; dat artikel was in werkelijkheid een – inderdaad óók verboden – boek van tegen de vijfhonderd bladzijden), Rousseau werd gedwongen de wijk te nemen naar Zwitserland.

Alle tegenwerking heeft van de Franse Verlichting een even heroïsch als dramatisch verhaal gemaakt. Een van de redenen wellicht waarom de aandacht zo vaak naar Frankrijk is gegaan. De combinatie van gevaar, moed en literair talent heeft iets onweerstaanbaars. In de bloemlezing van Offermans kan men er nog altijd van genieten, al lijkt mij zijn stelling dat de Franse Verlichting zich `vrijwel niet in wetenschappelijke richting' zou hebben ontwikkeld, sterk overdreven. Bij de bioloog Buffon, de filosoof Condillac, de wiskundige Maupertuis of de chemicus Lavoisier is echt wel wat meer te vinden dan `literatuur en filosofische essayistiek'. Alleen vinden we dat `meer' tegenwoordig een stuk minder leesbaar dan Candide of Le neveu de Rameau.

Een ander dramatisch `verhaal' dat de aandacht op Frankrijk richt, is de Franse Revolutie, lange tijd beschouwd als de apotheose van het kritische of ondermijnende geschrijf van de philosophes. De Revolutie luidde in Frankrijk en elders in Europa de moderne tijd in, die de Verlichtingsdenkers hadden voorbereid. In een simpel causaal verband geloven we nu niet meer, daarvoor zijn de politieke oorzaken van 1789 toch iets te complex. Maar dat menige revolutionaire voorman zich beriep op het verlichte gedachtengoed, valt moeilijk te ontkennen.

Een probleem is alleen dat de grote Verlichtingsdenkers zelf de Revolutie, hadden ze die meegemaakt, vast niet zouden hebben goedgekeurd. Hun houding was niet revolutionair in de politieke zin van het woord. Scepsis, ironie, gematigdheid en een zeer praktische hervormingszin waren voor hen typerend. Radicaal waren ze soms wèl, zij het vooral op filosofisch en religieus gebied, maar zelfs de atheïsten en materialisten onder hen (Helvétius, Lamettrie, d'Holbach) hebben zich nooit voor een totale omverwerping van de bestaande orde uitgesproken. Evenmin als Rousseau, Robespierre's ideologische held, wiens ideeën na 1789 ook voor de Contra-Revolutie zeer bruikbaar bleken.

Nog minder revolutionair elan vertoonden de Engelse Verlichtingsdenkers, die door de historici vaak een plaatsje aan de zijlijn krijgen toegewezen. Ook bij Offermans zijn ze maar met twee man vertegenwoordigd: David Hume en Adam Smith. Sommige historici gaan zelfs zo ver het bestaan van een `Engelse Verlichting' te ontkennen. Ten onrechte, meent hun collega Roy Porter in Enlightenment. Britain and the creation of the modern world. Wie de Verlichting als `de voorbode van de moderne tijd' (Offermans) wil zien, zou juist zijn blik op het achttiende-eeuwse Engeland moeten richten.

Wat men in Duitsland, Frankrijk en elders op het vasteland zo vurig verlangde, was daar al voor een belangrijk deel gerealiseerd, betoogt Porter. De Verlichting was er niet de zaak van een petit troupeau de philosophes, maar een levend gedachtengoed dat door brede lagen van het geletterde publiek werd gedeeld. Zelfs in concreto was er meer licht dan op het vasteland, zoals buitenlandse bezoekers, vol verbaasde bewondering voor de Londense straatverlichting, moesten constateren.

Gezien de `anglomanie' van veel Franse philosophes, hoeft er niet aan te worden getwijfeld dat zíj het in elk geval met Porter eens zouden zijn geweest. Voltaire berichtte enthousiast over Engeland (`een natie van filosofen') in zijn Lettres philosophiques (1733), Montesquieu vond er het model voor zijn befaamde leer van de scheiding der machten. Engeland, verstoken van absolutisme en katholieke onverdraagzaamheid, was voor hen hét land van vrijheid en verlichting. De Britten zelf dachten daar niet anders over. Horatius' sapere aude sierde al in 1718 de frontpagina van een van hun tijdschriften en de filosoof Shaftesbury schreef al in 1706 over `een machtig licht' dat zich over de hele wereld verspreidde, te beginnen in zijn geboorteland.

Een heroïsch of dramatisch verhaal biedt de Engelse Verlichting niet. Dat hadden de Britten namelijk al achter de rug. Hun Revolutie, gevolgd door burgeroorlog, Restauratie en een tweede – ditmaal glorious – Revolutie, vond in de zeventiende-eeuw plaats. De stroom boeken en pamfletten, die deze tweede Revolutie (in 1688) had uitgelokt, beschouwt Porter als het begin van de Engelse Verlichting. Het politieke tumult had de geesten geradicaliseerd, zoals hij laat zien aan het voorbeeld van de filosoof John Locke, in veel opzichten de geestelijke vader van de hele Verlichting.

Aanvankelijk een gezagsgetrouw denker, had Locke zich ontwikkeld tot een pleitbezorger van de natuurlijke rechten van de mens (inclusief een collectief recht op opstand), religieuze tolerantie, verstandige educatie en een `redelijk' Christendom. In Frankrijk zouden zijn ideeën als subversief hebben gegolden, in het gematigde Engeland van na 1688 (geen absolutisme, geen tirannieke kerk, geen censuur vóór publicatie) konden ze zich via zijn eigen boeken en via populariserende tijdschriften als The Tatler of The Spectator onbelemmerd onder het lezerspubliek verbreiden.

Vol zelfvertrouwen en ook wel met enige zelfgenoegzaamheid zetten die lezers zich aan de daadwerkelijke verbetering en modernisering van hun land. Dankzij Newtons `natuurfilosofie' waanden zij zich de bewoners van een harmonieus universum, waarin de Voorzienigheid alles had afgestemd op de behoeften en verlangens van de mens. In deze optimistische kijk op de wereld behoorden zaken als zondeval en predestinatie tot een voorgoed overwonnen verleden. Deïsten als Toland, Collins en Tindal meenden zelfs aan een `natuurlijke religie', zonder Openbaring of dogmatiek, genoeg te hebben.

The proper study of mankind is man, dichtte Alexander Pope, en Porter stort over de lezer een lawine uit van denkers en schrijvers die zich bezighielden met een wetenschappelijke bestudering van de menselijke natuur. De meest extremistische was de scepticus Hume, die alle metafysische a priori's aan gruzelementen redeneerde, maar er tegelijk in slaagde zijn voor de moraal gevaarlijke scepticisme te verenigen met een in wezen conservatief pragmatisme. Van rationalisme of deïsme bleef bij Hume niet veel over; hij nam genoegen met een optimistisch vertrouwen in gewoonte en gezond verstand.

Ondanks hun lucide kijk op de mens werden de Engelse (en Schotse) Verlichtingsdenkers gedreven door een streven naar verzoening en stabiliteit, dat verbetering niet uitsloot. De wens het eigen levenslot te verbeteren zagen zij als hét kenmerk van de menselijke natuur. Mensen jagen hun begeerte en eigenbelang na, beweerde Bernard Mandeville in The fable of the bees (1714), maar `private vices' leiden in de praktijk tot `public benefits'. In zijn Wealth of nations sprak Adam Smith ruim zestig jaar later over een `invisible hand', die ervoor zorg droeg dat economisch eigenbelang en algemeen welzijn elkaar niet dwars zaten, maar juist versterkten.

Pas in de tweede helft van de achttiende eeuw, aldus Porter, begon dit harmonieuze landschap vol handel, nijverheid en verbeteringsdrift serieuze onregelmatigheden te vertonen. Stoorzender was de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog, die Engeland opeens in de moeilijk verlicht te noemen positie plaatste van despotisch onderdrukker. Solidair met de opstandige kolonisten, kregen sommige Britse Verlichtingsdenkers nu ook oog voor de ongelijkheid in Engeland, waar welvaart en politieke macht slechts een kleine elite ten deel vielen. Dezelfde reactie herhaalde zich in 1789, nadat in Frankrijk de Revolutie was uitgebroken.

De Engelse Verlichting kreeg last, zou je kunnen zeggen, van haar eigen succes. Want de kritiek richtte zich nu naar binnen, omdat alle verlichte hervormingen in de ogen van radicale geesten als Richard Price en Thomas Paine nog lang niet genoeg hadden bereikt. Price vergeleek de Glorious Revolution van 1688 met de Franse Revolutie en presenteerde de laatste als een vervolmaking van de eerste. Paine bepleitte – met een beroep op Mensenrechten en Vooruitgang – haar navolging ook in Engeland.

Helaas voor hen hadden zij de tijdgeest ditmaal niet mee. De oorlog met het revolutionaire Frankrijk en de Terreur van Robespierre en diens Jakobijnen maakten het Britse publiek ontvankelijk voor het conservatisme van Edmund Burke, die zijn Reflections on the Revolution in France (1790) had geschreven in reactie op Price's opruiend geachte vergelijking. Typerend is de omslag bij jonge romantische dichters als Wordsworth en Coleridge, die hun aanvankelijke sympathie voor de revolutionaire Fransen verruilden voor een plotseling ontwaakte liefde voor Kerk en Staat. In deze koerswijziging sneuvelde ook – zeker bij Coleridge – de bewondering voor Newton, Locke en de overige Verlichtingsdenkers, om plaats te maken voor een warme sympathie voor de duistere diepten van het Duitse Idealisme.

De Romantiek geldt in de geschiedschrijving als de grote tegenstrever van de Verlichting, maar daarbij wordt te gemakkelijk vergeten dat zij er ook een product van is. Dat bewijzen niet alleen Wordsworth en Coleridge (om nu over Byron en Shelley maar te zwijgen, die hun radicale wortels nooit hebben verloochend), een sprekend bewijs is ook Rousseau, misschien wel de belangrijkste geestelijke vader van de Romantiek, die zijn verlichte vrienden al halverwege de eeuw tegen zich in het harnas joeg door hen te wijzen op de morele tekortkomingen van een louter op rede en wetenschap gebaseerde cultuur.

Niet anders was het in Duitsland, waar de Dichter und Denker van Romantiek en Idealisme zonder Kants Aufklärung ondenkbaar zijn. Wat achteraf een tegenstelling lijkt, was in werkelijkheid een tweesprong. Zoiets past ook wel bij de kritische en zelfkritische instelling van de Verlichting. Het suggereert bovendien dat de moderniteit, die met de Verlichting geboren werd, beter niet eenzijdig met alleen rationaliteit, scepsis of vooruitgangsgeloof geïdentificeerd kan worden. Die moderniteit vertoont eerder een fundamentele verdeeldheid, die je in andere beschavingen dan de westerse niet gauw zult tegenkomen. Sinds de achttiende eeuw wordt het `licht der rede' begeleid door de schaduw van de Romantiek, die niet zozeer op de rede als wel op het gevoel en de verbeeldingskracht haar kaarten heeft gezet.

Het is jammer dat Porter noch Offermans veel aandacht besteden aan het esthetische debat ten tijde van de Verlichting. Want daaruit zou kunnen blijken hoezeer bijna alle romantische grondbegrippen stukje bij beetje uit de kritische reflectie op het classicistische erfgoed zijn voortgekomen. Naast religie, politiek en economie behoorde de esthetica (het woord is toen gemunt, door de Duitse filosoof Baumgarten) tot de grote onderwerpen waarover de verlichte achttiende-eeuwers zich hebben druk gemaakt. Met als gevolg een geweldige herwaardering van kunst en poëzie, die bij romantici als Schelling, Novalis, Wordsworth en Coleridge boven filosofie en wetenschap worden geplaatst, als hun bron én als hun eindbestemming.

Sindsdien heeft de tweesprong van Verlichting en Romantiek talloze vertakkingen en dwarsverbindingen gekregen, waardoor de verdeeldheid nu aan een barok labyrint doet denken. Alleen naïeve cultuurcritici denken nog over de draad te beschikken om daarin een verlossende uitweg te vinden. Zo'n cultuurcriticus is de Amerikaan Neil Postman, van wie zojuist onder de titel Denken voor de spiegel de vertaling is gepubliceerd van zijn vorig jaar verschenen boek Building a bridge to the Eighteenth Century.

Postman keert zich tegen het postmodernisme (`wartaal') en tegen een fatalistische acceptatie van de technologie (`informatieoverbelasting'), twee geijkte thema's in de hedendaagse cultuurkritiek. Al even weinig origineel is zijn teruggrijpen op de achttiende-eeuwse Verlichtingsdenkers, teneinde tot een nieuw `groot verhaal' te komen dat de mensheid in de eenentwintigste eeuw opnieuw zin en morele moed moet verschaffen. Enerzijds ontkent Postman de moderne verdeeldheid (want hij wil én de scepsis en het pragmatisme van de Verlichting én het poëtisch inzicht van de Romantiek), anderzijds bevestigt hij deze juist met zijn machteloos gefoeter op alles wat hem in het heden niet bevalt.

Misschien zou Postman zich thuis hebben gevoeld in de vroege Engelse Verlichting, toen Newton en de Voorzienigheid de mensheid een zinvolle harmonie leken te garanderen. Nu lukt dat laatste nog alleen via vrome wensen, waarvan Postman zelfs de schijn (want de transcendentie van het door hem verlangde `grote verhaal' berust op een pragmatisch alsof) niet kan verhullen. Voorwaarde lijkt mij wel dat hij Porters energiek geschreven en overvolle studie van de Engelse Verlichting ongelezen laat, want daarin wordt te consciëntieus recht gedaan aan juist de complexiteit van de achttiende-eeuwse realiteit.

Offermans' bloemlezing kan waarschijnlijk minder kwaad, behalve dan op bladzijde 467, waar Georg Christoph Lichtenberg (naast Kant de enige Duitser van wie teksten zijn opgenomen) diezelfde complexiteit samenvat in een aforisme. Als `symbool voor de Verlichting' stelt Lichtenberg er `het vuur' voor: `Het geeft licht en warmte; het is onontbeerlijk voor de groei en de ontwikkeling van al wat leeft, maar als men er onvoorzichtig mee omspringt kan het ook branden en verwoesten'.

Mocht Postman het toch lezen, dan zal hij er, naar ik vrees, te snel een ondersteuning in zien van zijn eigen morele gelijk. Voor mij daarentegen bezegelt het aforisme, met vooruitwerkende kracht, de desperaatheid van Postmans door het verleden bevangen cultuurkritiek. Want voorzichtigheid (die van Lichtenberg evengoed als die van Kant) is wel het laatste waardoor de westerse mensheid zich heeft laten leiden in de permanente verandering van de moderniteit, die drie eeuwen terug met de Verlichting is aangevangen.

Het licht der rede. De Verlichting in brieven, essays en verhalen. Samengesteld en ingeleid door Cyrille Offermans.

Contact, 544 blz. ƒ99,50

Roy Porter: Enlightenment. Britain and the creation of the modern world.

Allen Lane/The Penguin Press, 728 blz. ƒ81,60

Neil Postman: Denken voor de spiegel. Inspiratie van 18de-eeuwse filosofen. Vertaald uit het Engels door Peter Abelsen.

Balans, 239 blz. ƒ37,50