Van oude en jonge zeuren

Het is altijd gevaarlijk om te generaliseren, maar ik geloof toch dat je rustig kunt zeggen dat niemand graag voor een oude zeur wil worden aangezien. Er zijn natuurlijk ook onder de jongeren veel zeurpieten, maar het verschil is dat die zich daar niet druk om hoeven te maken. Als je als twintigjarige student gevraagd wordt het academisch jaar te openen, dan kan je best een zouteloze, troosteloze, hopeloze Houten-Klaastoespraak houden zonder één grapje of geestigheid, zonder enig idee of originaliteit en braaf verklaren dat de studenten hard moeten werken, maar toch ook van de goede dingen des levens genieten en zich geestelijk ontplooien enzovoorts enzovoorts. De mensen zullen zich vervelen, maar niemand zal er iets van zeggen. Je kunt ook best als jong historicus het boek van een oudere historicus bespreken en vermanend zeggen dat hij wel moet oppassen niet te oppervlakkig te worden en niet al te veel te schrijven. De lezers zullen je misschien een wijsneus vinden, maar een zeurpiet? Nee, dat niet. Zo kan je ook als jongere een warm pleidooi houden voor de waarde van het gezin, het gezamenlijk thuis musiceren, de zondagse kerkgang en de belangeloze buurt- en bejaardenzorg en dat zullen velen een beetje tuttig vinden, maar als je jong bent, zal niemand je een oude zeur noemen.

Dit alles wordt echter anders als je oud wordt. Dan is het risico voor een oude zeur te worden aangezien heel reëel. Klachten over de onwetendheid van de studenten worden dan ook significant vaker geuit door jonge dan door oude docenten. Hier zijn drie redenen voor. De eerste is dat je, naarmate je ouder wordt, steeds meer beseft hoe weinig je zelf weet. De tweede is dat die oudere docenten zich vroeger al eens over dit verschijnsel hebben verbaasd, namelijk toen die thans klagende jonge collega's hun studenten waren. De derde en belangrijkste reden is echter de hierboven genoemde: een ouder iemand die klaagt, zal al gauw bevreesd zijn aangezien te worden voor een oude zeur. Dat wil hij niet.

Hij wil met zijn tijd meegaan, begrip hebben voor de jeugd en voor veranderingen en moderne inzichten, belangstelling tonen voor televisiespelletjes, voetbalwedstrijden en lawaai en vooral niet beweren dat het vroeger allemaal beter was. De psychologische achtergrond van dit alles is heel treffend onder woorden gebracht door – wie anders?! – Dr. Johnson die zei: ,,If a young man mislays his hat, he says he has mislaid his hat. The old man says: `I have lost my hat. I must be getting old'.'' Daarom zijn er meer jonge dan oude zeuren.

Iemand die beslist geen zeurpiet was, maar een van de oorspronkelijkste, onafhankelijkste en verstandigste geesten uit het laat twintigste-eeuwse Nederlandse geestesleven, was Karel van het Reve.

Ook hij heeft zich verschillende malen over dit onderwerp, de studenten en hun vermeende onwetendheid, uitgelaten. In diverse bundels, zoals Afscheid van Leiden en Luisteraars, vinden wij hierover uitspraken. Hij sprak hierover in zijn afscheidscollege, een veel gebruikte gelegenheid om op deze thematiek in te gaan, maar ook elders. In Luisteraars lezen wij bijvoorbeeld: ,,Een klacht die veel gehoord wordt, is dat de studenten veel dommer zijn dan vroeger''. En: ,,De zo vaak gehoorde bewering dat alles vroeger beter was dan nu...''. Deze zinnen worden dan gevolgd door uitspraken waaruit blijkt dat Karel van het Reve het hiermee niet eens is.

Zo zei hij in zijn afscheidscollege: ,,Ik behoor niet tot de oudere heren – daar zijn ze weer, die ouderen, W. – die vinden dat de tegenwoordige studenten slechter zijn dan die van een kwart eeuw geleden.''

Het eigenaardige is echter dat je die uitspraken helemaal niet zo vaak hoort. Als iemand zegt dat vroeger alles beter was of dat de studenten steeds dommer worden, dan hoef je niet eens te zeggen: `Dat geloof ik niet' of: `Dat meen je toch niet echt!' of zelfs maar: `Meen je dat nou echt?' Een verbaasd optrekken van de linkerwenkbrauw is meestal voldoende om de spreker tot zwijgen te brengen, dan wel hem iets te laten mompelen als: `Nou ja, ik bedoel natuurlijk niet echt alles, maar waar vind je vandaag de dag nog een echte ouderwetse sterappel?' Of: `Ik bedoel ook eigenlijk niet echt dommer, maar de studenten weten zo weinig, of, laat ik mij preciezer uitdrukken, er zijn veel dingen die iedereen vroeger wist, omdat dat toen vanzelfsprekend was, en dat is nu niet meer het geval en dat is lastig'.

Het interessante is nu dat dit precies is wat Karel van het Reve zelf ook hierover opmerkt. In Luisteraars lezen wij bijvoorbeeld: ,,Als je vroeger aan de faculteit der letteren wou studeren dan moest je in staat zijn om zonder woordenboek een Latijnse, een Griekse, een Franse, een Duitse en een Engelse tekst die je nog nooit eerder gezien had in fatsoenlijk Nederlands te vertalen. Dat hoeft nu niet meer en dat is natuurlijk een verarming [...] van onze cultuur, er zijn geen dingen meer die iedereen verondersteld wordt te weten [...]. Maar dat wil niet zeggen dat studenten onwetender zijn dan vroeger. Ze weten alleen maar verschillende dingen en dat is weer voor het onderwijs een beetje lastig. Er zijn geen boeken meer die ze allemaal gelezen hebben, geen dingen meer die ze allemaal weten [...]. Ik geloof dat zoiets referentiekader heet. Er is geen gemeenschappelijk referentiekader meer [...]. En het enige referentiekader [...] dat overblijft, dat is dan de koninklijke familie, Lucky Luke, Asterix en Kuifje.''

Dit is inderdaad de kern van het probleem en de vraag is dan ook niet of de studenten dommer of luier, slechter of onwetender zijn dan vroeger, want dat gelooft eigenlijk niemand, maar of het niet beter zou zijn als er wel zo'n gemeenschappelijk referentiekader bestond. Ik heb niets tegen Asterix, Kuifje en Lucky Luke, laat staan de koninklijke familie, maar ik geloof, in tegenstelling tot Karel van het Reve, niet dat kennis over deze vier onderwerpen als referentiekader voor studenten en afgestudeerden voldoende is. Ik geloof ook dat het niet alleen gemakkelijk zou zijn voor het onderwijs, maar ook goed voor de maatschappij en de cultuur in het algemeen, als er weer zo'n gemeenschappelijk referentiekader zou komen. Maar met de `globalisering' en de `multiculturele samenleving' zal het niet zo eenvoudig zijn als vroeger een consensus te scheppen over het wetenswaardige.