Van de suiker in de barak

Het commentaar bij de beelden van Indische Nederlanders die voet aan Nederlandse wal zetten, getuigt van het onverwoestbare optimisme dat elke jaren vijftig-document kenmerkt. Kleumend in warme jassen en met verwarring op de gezichten verlaten ze het schip. Maar gelukkig staat koningin Wilhelmina bij de loopplank en ,,haar aanwezigheid sterkte de repatrianten in hun vertrouwen dat zij thuis waren gekomen''. Krachtig worden de woorden uitgesproken, met de nadruk op `thuis'.

Onzin, want bijna niemand van de 300.000 Indische Nederlanders die vanaf 1946 naar Nederland kwamen was hier ooit geweest. Van repratiëring, zoals het nog steeds wordt genoemd, was formeel geen sprake. Hun thuis was Indië, maar vanaf het moment dat het Indonesië werd, voelden ze daar zich steeds minder gewenst. De onafhankelijkheid en de daarop volgende, bloedige bersiap-periode deed velen besluiten het land te verlaten. Het was geen vrijwillige terugkeer naar het land van herkomst, maar gedwongen migratie naar het land waarmee men in naam verbonden was.

Bij de gedwongen keuze tussen Indonesisch en Nederlands staatsburgerschap koos slechts acht procent van de Indische Nederlanders voor het eerste. De Nederlandse regering had gehoopt op 75 procent en zag zich tijdens de wederopbouw geconfronteerd met een extra probleem. Aanvankelijk werden de nieuwkomers opgevangen in opvangcentra en contractpensions. Tussen juli 1950 en maart 1951 werden ze gehuisvest in het voormalige kamp Westerbork, voor de gelegenheid omgedoopt in Woonoord Schattenberg.

,,Zo'n huisvesting hadden we niet verwacht'', zegt een voormalige bewoonster, met gevoel voor understatement. Een variant op die uitspraak is de titel van een bescheiden expositie in het Herinneringscentrum Kamp Westerbork over de opvang van Indische Nederlanders in het kamp: `Het waren de barakken die ons een schok gaven'.

Kamp Westerbork was in 1939 gebouwd door de Nederlandse overheid, bedoeld als Centraal Vluchtelingenkamp voor Duitse joden die, vooral na de Kristallnacht, naar Nederland vluchtten. Aanvankelijk koos men voor Elspeet op de Veluwe als lokatie, maar na bezwaren van buurvrouw Wilhelmina werd het een heideveld bij het Drentse dorp Hooghalen, elf kilometer van Assen. Belangrijk was vooral dat het kamp geïsoleerd zou liggen, want het was niet de bedoeling dat de Duitse joden zouden integreren in Nederland.

Aan het tweede gebruik dankt Kamp Westerbork zijn slechte naam. Meer dan honderdduizend mensen, joden en zigeuners, werden tijdens de oorlog door de nazis vanuit het `Durchgangslager' gedeporteerd naar Auschwitz, Sobibor en andere kampen. `Voorportaal van de vernietiging' wordt het kamp genoemd. Wat bewoog de bestuurder die bedacht dat juist deze plek geschikt was om Indische Nederlanders kennis te laten maken met de Nederlandse samenleving?

Na wat inleidende taferelen over het vooroorlogse leven in Nederland-Indië en de overtocht naar Nederland aan boord van de Atlantis werden in een maand tijd zestig babies geboren, een record biedt de expositie een reconstructie van het dagelijks leven in Woonoord Schattenberg. Erg aangenaam kan het er niet geweest zijn. De bewoners moesten zich in de barakken zien te redden met veldbedden en paardendekens. Mannen en vrouwen werden gescheiden, drie keer per dag moest men in de rij voor eten uit de gaarkeuken. Kinderen genoten in de winter van het nieuwe fenomeen sneeuw, maar in de barakken was het bitter koud.

Zwaarder nog dan de praktische ongemakken waren de cultuurverschillen. Veel belangstelling voor het pas verloren paradijs in de Oost was er niet in het Nederland van 1950, laat staan dat men begrip had voor die vreemde gewoontes van daar. Pas na aandringen van de bewoners werd één keer per week nasi geserveerd. Wie gewend was zich een paar keer per dag te mandiën, moest het nu doen met één keer douchen per week. De fles water maakte plaats voor wc-papier, vrouwen werd gemaand het Hollandse huishouden te volgen. Aanpassing was het devies.

Ondanks de aangereikte elementen geeft de expositie geen compleet beeld van het kampbestaan. Liever dan een paar gedrapeerde paardendekens, zou je bewegende beelden van de barakken en de mensen willen zien. Ze zijn er wel, die beelden, zo blijkt in het eerste deel van de documentaire Dutch Approach die aanstaande maandag door de NPS wordt uitgezonden. Ze tonen Zuid-Molukkers in Schattenberg, de groep die in 1951 zou arriveren, er twintig jaar zou blijven en, geheel in lijn met de allereerste bedoeling van het kamp, slecht zou integreren in de Nederlandse samenleving. Het moge dan een paar jaar later zijn, op de expositie hadden die beelden niet misstaan. Nu blijft het te afstandelijk, het echte leven ontbreekt.

Ook al suggereert de titel iets anders, volgens de expositie hadden de Indische Nederlanders niet zo veel moeite met de lugubere voorgeschiedenis van Kamp Westerbork. Kinderen keken stiekem rond in het voormalige crematorium, veel verder gaat het niet. Misschien was de huisvesting op die plek ook minder bizar dan het nu lijkt. De Molukse taxichauffeur die me terugbrengt naar Assen blijkt in Schattenberg te zijn geboren. Wat hem vooral is bijgebleven is dat hij baalde toen hij als achtjarig jochie naar een woonwijk in Assen verhuisde. In het kamp was je onder elkaar, mocht alles en kon je altijd in het bos spelen. Alleen `s winters, dan was het wel erg koud.

`Het waren de barakken die ons een schok gaven', in Herinneringscentrum Kamp Westerbork, Oosthalen 8, Hooghalen. T/m 7 jan 2001, ma t/m vr 10-17u, za en zo 13-17u. Inl. 0593-592600.

    • Mark Duursma