TROU MOET BLYCKEN

,,Afgelopen maandagavond omstreeks acht uur is de schrijver Jan Arends uit het raam van zijn flat in Amsterdam gestapt'', stond er op 26 januari 1974 in de krant. Op dezelfde maandag was zijn tweede dichtbundel verschenen, Lunchpauzegedichten. ,,Jan Arends schreef ook gedichten'', meldde een andere krant, ,,waarvan sommige zijn gebaseerd op zijn ervaringen als huisknecht bij welgestelde dames.''

De huisknecht-schrijver.

Het was een beeld dat hij zelf, enige jaren eerder, in een geruchtmakend interview had geëxploiteerd en geciseleerd. Als schrijver vond hij – hij had destijds net zijn eerste en enige verhalenbundel Keefman gepubliceerd – dat hij dringend aan de Nobelprijs toe was; als huisknecht bleek hij al even sarcastisch: ,,Stof afnemen is zeer zware gymnastiek. Waarom denk je anders dat wijven ouder worden dan mannen?''

,,Zoals een ander homoseksueel is, ben ik huisknecht'', verklaarde hij. ,,Het slaaf zijn bij een vrouw, dat is voor mij de manier om een vrouw te beminnen.''

Als vrouwen te aardig voor hem werden was de lol van het huisknechtschap er voor hem af. Meestal gebeurde dat al binnen enkele dagen. Dan boende Jan Arends de meubels met groene zeep, wreef de trap in met slaolie, zette het gas onder de etenspannen op de hoogste stand en vertrok.

Een masochist die alles stuk moest maken.

En die intelligent genoeg was om zijn onredelijkheid achteraf een rationele draai te geven: ,, ...dat is mijn dualisme: als ik stof loop af te nemen, kom ik in opstand omdat ik eigenlijk [...] de Nobelprijs wil winnen, teksten wil schrijven...''

Zo'n verscheurdheid, en tegelijk op beide fronten zo'n gooi naar het absolute – een dichter als Jan Arends valt moeilijk te fixeren. Zonder ooit tot stilstand te komen tolt hij om zijn middelpunt.

Bijtend, dun.

Zo essentieel aanwezig dat hij er nauwelijks lijkt te zijn.

Met de alomtegenwoordigheid van het bijna-niets.

Minimalistisch.

Hoe je het ook wenst te omschrijven, het is een onomstootbaar want zichtbaar feit dat ook zijn gedichten het meest op vlaggenstokken lijken. Gierend om hun as

Ik

schrijf gedichten

als dunne bomen

een werkelijk flink aantal gedichten van Jan Arends begint onbeschaamd met dat woordje ik. Alsof in de vorm van een vlaggenstok de broodmagere gestalte van Jan Arends zelf je aanstaart vanuit de pagina.

Wie

kan zo mager

praten

met de taal

als ik?

Hier is geen dichter met een tere huid aan het woord, hier spreekt een dichter die helemaal geen huid heeft. Gestroopt is hij ter wereld gekomen zijn poëtica voert hem onmiddellijk terug naar de eerste seconden van zijn bestaan, naar het zaad van een hem onbekende vader

Ik heb

hem nooit

gekend

die man

lakonieker, sarcastischer kan het niet. Sindsdien doen hem alle woorden pijn.

Let wel, alle echte woorden.

De woorden van de dichter, de eerste woorden die je als kind hoort, de woorden van ontbrekende liefde.

Dat praten met echte woorden door iemand die jou liefheeft, dat schrijven van echte woorden waarvan er in een gedicht maar weinig nodig zijn, Jan Arends haalt die beide dingen hier bewust door elkaar. Over praten met de taal heeft hij het. En verderop over het schrijven van pijn.

In dat begrip pijn valt alles samen.

De pijn van iemand die, in nietswaardigheid geboren, beseft dat er niets anders voor hem op zit dan in nietswaardigheid te sterven.