Parlementaire enquête is geen zaak voor de senaat

Het voorstel van CDA-voorzitter Van Rij om de senaat een parlementaire enquête te laten houden naar de problemen in de zorg, is weliswaar sympathiek maar politiek naïef en ondoordacht, meent Frank de Vries.

CDA-voorzitter Van Rij deed het afgelopen weekeinde het voorstel om de Eerste Kamer een parlementaire enquête te laten houden naar de problemen in de zorgsector. De fractie van het CDA in de Eerste Kamer heeft zich hier inmiddels achter geschaard. Op het eerste gezicht klinkt het sympathiek. De problemen in de zorg vragen immers om politieke aandacht. En waarom zou de Eerste Kamer daaraan geen bijdrage kunnen leveren? Bij nadere beschouwing kunnen bij het voorstel van Van Rij wel enkele kanttekeningen worden geplaatst.

Een eerste opmerking is van staatsrechtelijke aard. Bij de grondwetsherziening van 1848 werd het recht van enquête in de Grondwet opgenomen. Dit parlementaire instrument was aanvankelijk bedoeld om de Tweede Kamer beter in staat te stellen haar wetgevende taak te verrichten. De vraag was toentertijd of het enquêterecht ook voor andere, politieke, doeleinden zou mogen worden aangewend. Aan het einde van de negentiende eeuw werd die vraag bevestigend beantwoord. De Eerste Kamer was in 1848 bewust buiten spel gehouden. De grondwetgever achtte toekenning van het recht van onderzoek niet passen bij haar terughoudende wetgevende positie. In 1887 echter werden de verhoudingen gelijk getrokken en kreeg de Eerste Kamer eveneens de bevoegdheid parlementaire enquêtes te houden. De Grondwet maakt derhalve sinds 1887 geen onderscheid tussen de beide Kamers en verzet niet tegen het houden van parlementaire enquêtes door de Eerste Kamer.

Parlementaire onderzoeken zijn zeldzaam. Tussen 1900 en 1983 werd door de Tweede Kamer slechts éénmaal een enquête gehouden. Dat was het befaamde onderzoek dat aan het einde van de jaren '40 werd gehouden naar het regeringsbeleid gedurende de bezettingsjaren. Sedert 1983 is het enquêterecht bezig aan een opvallende opmars. De Tweede Kamer heeft na de RSV-enquête uit dat jaar haar onderzoeksbevoegdheid nog eens vijfmaal aangewend (Bouwsubsidies, Paspoorten, Sociale Verzekeringen, IRT, Vliegramp Bijlmermeer).

Voor de Eerste kamer ligt het anders. Zij heeft nog nooit een enquête gehouden. Toch is het recente voorstel van Van Rij niet uniek. Tweemaal in de parlementaire geschiedenis kwam de politieke enquête in de Eerste Kamer in beeld. De eerste keer was in 1933 toen NSB-senator Van Vessem de gedachte opperde een onderzoek in te stellen naar het ontslag van rijksbouwmeester Vrijman. Deze was door de regering wegens vermeende fraude oneervol ontslagen. Daarop probeerde hij de Eerste Kamer te bewegen hiernaar een onderzoek te doen. Tot een daadwerkelijk voorstel kwam het niet.

Het tweede voorbeeld dateert uit het begin van de jaren '80. De senatoren Mol (PvdA), Trip (PPR) en Vis (D66) dienden in 1981 een voorstel in tot het houden van een onderzoek naar de inhoud en totstandkoming van een tweetal internationale verdragen inzake terugzending van radioactief materiaal. Dit voorstel werd door de Eerste Kamer wel in behandeling genomen, maar uiteindelijk afgewezen. De toenmalige coalitiefracties van CDA en VVD zagen er niets in.

Het verleden leert derhalve dat de parlementaire onderzoeksbevoegdheid weinig betekenis heeft voor de Eerste Kamer. Die geringe aandacht voor het recht van onderzoek is overigens eenvoudig te verklaren. Het besluit tot het houden van een parlementaire enquête is om verschillende redenen indringend te noemen. Er wordt immers een signaal mee afgegeven dat behoefte bestaat aan informatie die kennelijk niet via de ministers kan worden verkregen. Deze informatie kan bovendien worden afgedwongen met stevige juridische middelen. Wie opgeroepen wordt, moet verschijnen en staat onder ede. Daar komt nog bij dat het optreden van de verschillende enquêtecommissies die sedert 1983 voorbijtrokken, werd omgeven door forse aandacht van de media.

De conclusie is daarmee duidelijk. Staatsrechtelijk gezien heeft de Eerste Kamer volstrekt het recht om een enquête in te stellen. In zoverre is er niets mis met het voorstel van Van Rij. De problemen zijn van politieke aard. De `revival' van het enquêterecht in de Tweede Kamer is verklaarbaar vanuit de kennelijke behoefte om zo nu en dan, geheel op eigen kracht, het doen en laten van verantwoordelijke ministers op bepaalde beleidsterreinen tegen het licht te houden.

De politieke enquêtes van de laatste jaren hebben stellig bijgedragen aan verscherping van het profiel van de controletaak van de Tweede Kamer. Bij de meeste van deze enquêtes bleek echter ook dat met de uitkomsten van deze onderzoeken werd `afgerekend' met verantwoordelijke ministers. Parlementaire enquêtes kunnen, met andere woorden, niet los worden gezien van de algemene verhouding tussen regering en Staten-Generaal. En juist op dat punt schiet de Eerste Kamer tekort. Zij is immers de Kamer die op afstand opereert van de dagelijkse politiek.

Parlementaire enquêtes hebben mede tot doel de ministeriële verantwoordelijkheid van bewindslieden vast te stellen. Wie in de politiek tot drie kan tellen, voelt op zijn klompen aan dat een onderzoek naar de zorgsector zal uitmonden in een antwoord op de vraag hoe de huidige minister van Volksgezondheid Borst, in de periode dat zij aan het hoofd van het ministerie van VWS staat, de problemen in de zorgsector heeft aangepakt. De Eerste Kamer heeft op dit punt niets te zoeken. Zij loopt gerede kans gemangeld te raken tussen het politiek primaat van de Tweede Kamer, de rol van de verantwoordelijke ministers, die hun parlementaire machtsbasis hebben in de Tweede Kamer, en de enorme aandacht die in de media zal uitgaan naar de uitvoering van een parlementaire enquête. De Eerste Kamer doet er kortom verstandig aan haar grondwettelijke bevoegdheid te laten rusten in de staatsrechtelijke mottenballen.

De gedachte van Van Rij moet begrepen worden als een poging aandacht te vragen voor de problemen in de zorgsector. Die aandacht is zeker gepast. Maar om daarbij de Eerste Kamer via een parlementaire enquête de voortrekkersrol te gunnen, is naïef en ondoordacht.

Dr. F. de Vries is universitair docent aan de juridische faculteit van de Rijksuniversteit Groningen en is onlangs gepromoveerd op de staatsrechtelijke positie van de Eerste Kamer.

    • Frank de Vries