Overgave aan de moesson

Wat doe je als je in de Indiase Himalaya wilt gaan lopen? Neem je een vliegtuig naar Delhi? Stap je daar op de eerste de beste trein naar het Noorden? Huur je vervolgens in een dorp een lokale gids, een kok en een paar muilezels om daarna een van de vele trekkings uit de Lonely-Planetgids te volgen? Ongetwijfeld bestaan er wandelaars die het op een dergelijke manier aanpakken, maar toen ik begin dit jaar besloot om met een klein groepje vrienden over het dak van de wereld te lopen, kwam ik er snel achter dat je het zo niet moet doen. Natuurrampen zijn in India, toch al een chaotisch land, een alledaags verschijnsel dat ons westerlingen voor grote verrassingen kan stellen. Een gids kan dan ook veel vakantieleed voorkomen, al was het maar omdat hij de weg kent en vooral, weet hoe je moet ritselen om alles voor elkaar te krijgen.

Op een zaterdagmorgen in februari maakten we onze opwachting bij Ariejan Laan directeur/eigenaar van Heritage Travel, een reisbureau aan de hoofdstedelijke Haarlemmerdijk. Laan leidt een eenmansbedrijf dat India-reizen verzorgt. Een catalogus met vaste arrangementen, heeft hij niet. Heritage Travel biedt reizen aan die op maat zijn gesneden. Je vertelt hoe lang je weg wilt, wanneer, waarheen en hoe hoog, en de directie maakt het in orde. En eenmaal in India blijkt alles tussen moment van aankomst en van vertrek te zijn geregeld, al kan er dan alsnog een heleboel misgaan.

We vertelden Laan dat we een maand in India wilden doorbrengen en zo lang mogelijk in de bergen hoopten te wandelen. Behalve in het Noordelijke gebied Ladakh wilden we ook lopen in de zuidelijker gelegen deelstaat Himachal Pradesh. Bovendien wilden we zo weinig mogelijk andere toeristen tegenkomen, om niet in konvooi te lopen, zoals in het veel meer op bergtoeristen ingestelde Nepal.

Twee weken later kwam Laan met zijn voorstel: twee tochten voor ervaren bergwandelaars, de eerste in het niet-toeristische Himachal Pradesh – waar we zouden kunnen wennen aan de ijle lucht boven de 3000 meter hoogte – en de andere in het hoger gelegen, onherbergzame maanlandschap van Ladakh. Alleen het aantal loopdagen viel ons nog wat tegen. Van de 26 dagen in India zouden we iets minder dan de helft per auto onderweg zijn om van het ene gebied in het andere te komen. ,,Je rijdt soms niet harder dan 20 kilometer per uur. En bovendien is het best leuk iets van India te zien'', zei Laan in een poging ons te troosten. Onze teleurstelling nam echter nog meer toe, toen we zagen dat we op sommige wandeldagen niet meer dan vier uur bezig zouden zijn. ,,Bedenk wel dat het op zulke grote hoogte heel zwaar is'', zei Ariejan. Maar we trokken ons niets van zijn woorden aan en verzochten hem de tochten een paar dagen langer te maken.

Een week later had de Heritage-directeur, die over een uitgebreid netwerk van gidsen beschikt, aan al onze wensen voldaan. Het was hem zelfs gelukt ons enkele van zijn persoonlijke voorkeuren op te dringen, zoals een bezoek aan wat boeddhistische kloosters. In een daarvan zouden we zelfs de Dalai Lama de hand kunnen schudden. ,,En in India moet je vooral alles kunnen laten'', zei Laan tijdens de laatste bijeenkomst die we met hem hadden.

Pas in de Himalaya zouden we begrijpen wat hij daarmee bedoelde. Want ook al werden we tijdens ons verblijf in India vrijwel onafgebroken begeleid door twee voortreffelijke gidsen, door de moesson die het land teisterde was het er één groot avontuur, dat me niet zelden aan de Camel-trophy deed denken. De wegen kon je op sommige stukken nauwelijks wegen noemen. Vaak waren ze nog geen drie meter breed en zaten vol gaten. De vrachtwagens, die elkaar het licht in de koplampen niet gunden en elkaar voortdurend in de kolkende rivieren leken te willen duwen, maakten het rijklimaat er bovendien niet aangenamer op. Alleen door de wijsheid en het opgewekte karakter van onze gids Nareesh – een meester in het `laten' en ritselen – lukte het ons om niet onafgebroken te wanhopen. Wel raakten we er door al die beproevingen van overtuigd dat we zonder vaste gids nooit een stap in de Himalaya zouden hebben gezet en waarschijnlijk vier weken lang in een van de buitenwereld afgesloten bergdorp zouden hebben doorgebracht.

Nadat we in vier dagen tijd een aardverschuiving hadden getrotseerd – waarbij de weg over zo'n dertig meter was verdwenen – en als een gezelschap trapezewerkers een woeste rivier via een paar planken waren overgestoken omdat de brug was weggeslagen, bereikten we onze plaats van bestemming: Kafnu, een dorp waar de weg definitief ophield. Pas toen vertelde de gids ons dat we het echte gevaar letterlijk achter ons hadden gelaten. Want een deel van de vallei waar we doorheen waren gereisd, bleek twee dagen eerder door een springvloed te zijn weggespoeld. Zeker honderd Indiërs waren daarbij verdronken.

Er kwam nu een eind aan onze eerste autotocht. Onze bagage werd op paarden geladen, die door onze gids waren geregeld. En toen brak eindelijk het moment aan waarop we al onze eerdere zorgen konden vergeten. Want de tochten die ons de komende weken door de bergen en langs afgelegen, ongerepte dorpjes zouden voeren, behoren tot de mooiste die we ooit hebben gemaakt. De directeur van het reisbureau was zijn belofte nagekomen: in al die dagen kwamen we geen toerist tegen. Onze gids wees ons er bovendien op dat er nog veel meer van zulke onbekende trekkings in Himachal Pradesh bestonden. En over die korte duur van sommige wandelingen, zul je ons niet meer horen klagen. Want op 5.000 meter hoogte voelt vier uur lopen aan als het tienvoudige.

    • Michel Krielaars