Nederland moet zich buigen over mandaat van VN

Gedurende de maand november staat Nederland als voorzitter van de VN-Veiligheidsraad even aan het roer van de internationale politiek. De agenda van de Raad wordt gewoonlijk sterk bepaald door actuele problemen in de internationale politiek. Maar daarnaast kan een voorzitterschap ook aangewend worden voor het aan de orde stellen van meer algemene onderwerpen die de positie en het functioneren van de Verenigde Naties in de internationale politiek raken.

Het is de achtste keer na 1945 dat Nederland het voorzitterschap van de VN-Veiligheidsraad bekleedt. De eerste perioden stonden sterk in het teken van dekolonisatieproblemen en de Koude Oorlog. Zo waren voor Van Kleffens in 1946 de marges uitermate smal vanwege de Indonesische kwestie. Ambassadeur Von Balluseck had het in april 1951 heel moeilijk met een Raad die diep verdeeld was over de strijd tussen India en Pakistan om Kasjmir en de Palestijnse kwestie. Tijdens zijn voorzitterschap in maart 1952 kwam de Raad in het geheel niet bijeen vanwege onenigheid over de Tunesische kwestie. In juni 1965 werd het voorzitterschap van De Beus beheerst door de Amerikaanse inval in de Dominicaanse Republiek `teneinde een tweede Cuba op het westelijk halfrond te voorkomen'. Gedurende zijn tweede voorzitterschap in mei 1966 ontstond een patstelling over verdere maatregelen tegen het blanke minderheidsregime in Zuid-Rhodesië. In beide gevallen kon De Beus, die als neutraal bemiddelaar in de kwestie-Kasjmir bewees zijn mannetje zeer wel te kunnen staan, niets uitrichten. December 1983 zal ongetwijfeld voor Max van der Stoel tot de meest memorabele maanden uit zijn lange carrière als politicus en diplomaat behoren. Onder zijn voorzitterschap slaagde de Veiligheidsraad er in overeenstemming te bereiken over de opmerkelijke evacuatie, om strikt humanitaire redenen onder VN-vlag, van de in het nauw gedreven Yasser Arafat c.s. uit de Libanese havenstad Tripoli naar Tunis.

In september 1999 werd ambassadeur Van Walsum tijdens zijn eerste voorzitterschap meteen geconfronteerd met excessief geweld door Indonesische milities op Oost-Timor. Onder een relatief gunstig politiek gesternte en uiteindelijk met instemming van Indonesië gaf de Raad bij consensus het groene licht voor de legering van een multinationale troepenmacht onder leiding van Australië, met een duidelijk mandaat onder hoofdstuk VII van het VN-Handvest. Later werd dit aangevuld met de vorming van een VN-overgangsbestuur voor Oost-Timor. Dit snelle en daadkrachtige optreden van de Raad en het VN-Secretariaat is inmiddels in de annalen van de VN bijgeschreven als een klassiek voorbeeld van `niet te veel woorden, maar daden', hetgeen Nederland mede op zijn conto kan schrijven.

Voorzitters maken soms ook ruimte voor meer beschouwende discussies over algemene vraagstukken. Dit jaar kwamen bijvoorbeeld aan de orde: bescherming van burgers ten tijde van gewapend conflict (Canada), demobilisatie en reïntegratie van voormalige strijders (Bangladesh) en de invloed van aids/hiv op internationale vrede en veiligheid (VS). Tijdens het Nederlandse voorzitterschap vragen twee onderwerpen om prioriteit. Allereerst het meer handen en voeten geven aan de zo dikwijls bepleite brede benadering van de problematiek van Afrika vanuit het perspectief van ontwikkelings-, veiligheids-, mensenrechten- en vredesopbouwbeleid. Vorig jaar leidde premier Kok een speciale, maar nogal vrijblijvende bijeenkomst over Afrika in het bijzijn van Kofi Annan en OAE Secretaris-Generaal Salim Ahmed Salim. Het zou nuttig zijn indien nu ook eens de effecten van het actieve, maar weinig coherente Europese handels- en ontwikkelingsbeleid ten aanzien van Afrika aan de orde zouden komen alsmede de ervaringen van Wereldbank/IMF en van VN-organen zoals UNICEF en UNDP zelf. Ten tweede zou het goed zijn indien Nederland een algemene discussie zou uitlokken over het primaat van de Verenigde Naties en haar beginselen en regels op het terrein van internationele vrede en veiligheid. Nederland heeft daar immers tijdens zijn lidmaatschap ook zelf mee geworsteld.

Niet voor niets noemen de ministers Van Aartsen en Herfkens in hun Begroting 2001 `het stelselmatig bevorderen van het respect voor de internationaal vastgelegde normen en waarden en de versterking van regionale en mondiale structuren en organisaties' een hoofddoelstelling van het buitenlands beleid van Nederland. Maar de Raad wordt ondanks zijn eerste verantwoordelijkheid voor vredeshandhaving nog al eens ruw terzijde geschoven wanneer dat bepaalde grootmachten zo uitkomt of wanneer politieke overeenstemming ontbreekt. De militaire NAVO-actie van voorjaar 1999 tegen Servië had plaats zonder toestemming van de VN-Veiligheidsraad. De aanvankelijke Nederlandse opvatting dat de rechtsbasis voor het NAVO-optreden in Veiligheidsraadsresoluties gevonden kon worden heeft nauwelijks steun gekregen. Op zijn best kan die geconstrueerd worden via het glibberige leerstuk van de humanitaire interventie dat in zeer uitzonderlijke noodomstandigheden, optreden met geweld zonder VN-toestemming rechtvaardigt met als enig doel een einde te maken aan massale en flagrante schendingen van rechten van mensen of volken.

Op verzoek van de regering brachten de adviesraden van Buitenlandse Zaken en Defensie in april van dit jaar hierover een advies uit, maar een standpunt van de regering in deze laat nog steeds op zich wachten. (Ook de grote bemoeienis van de Groep van Zeven met de kwestie-Kosovo is merkwaardig geweest. Het had voor de hand gelegen dat Nederland, als VN- en Veiligheidsraadslid en als NAVO-land, daartegen had geprotesteerd, maar dit is niet gebeurd). Natuurlijk gebiedt de realiteit te erkennen dat de VN lang niet altijd de eerste viool kunnen en moeten spelen in de internationale vredespolitiek. Maar in een à la carte-gebruik van de VN schuilen grote gevaren, juist ook voor het draagvlak en de legitimiteit van optreden in moeilijke internationale conflicten. Het zou nuttig zijn indien de regering over dit soort algemenere onderwerpen eens duidelijk haar licht zou laten schijnen. Dan zou deze belangrijke zittingstermijn van Nederland in de Veiligheidsraad waardig afgesloten kunnen worden met conclusies die in ieder geval voor ons eigen buitenlands beleid blijvende waarde hebben en wellicht ook voor derde partijen interessant zijn.

Prof.mr. N.J. Schrijver is hoogleraar volkenrecht aan de VU en voorzitter van de Academic Council on the United Nations System.