Groot en klein

In zijn column `Holland spreekt een woordje mee' (NRC Handelsblad, 26 oktober), meent Mark Kranenburg op overtuigende wijze de voosheid van de Nederlandse pretentie te kunnen illustreren dat Nederland ,,de kleinste van de grote landen'' in de EU zou kunnen zijn door de inwonertallen op te sommen van achtereenvolgens Frankrijk (59 mln), Italië (57 mln), het VK (59 mln) en Duitsland (82 mln). Een rommelige volgorde, maar dat terzijde. Het is duidelijk dat de afstand tussen het laagste door hem genoemde inwonertal (57 mln) en de 16 miljoen Nederlanders aanzienlijk is. Jammer alleen dat het Kranenburg blijkbaar is ontgaan dat ook Spanje (circa 40 miljoen inwoners) sedert 1986 deel uitmaakt van de EU (evenals Portugal, dat wél in zijn kraam te pas komt, en dat hij dan ook niet over het hoofd ziet). De afstand tussen 40 mln en 16 mln blijft aanzienlijk, dus kan Nederland ook op grond hiervan beter als de `grootste van de kleine landen' worden aangeduid.

Maar wie zegt eigenlijk dat de begrippen `kleinste' en `grootste' in deze context uitsluitend dienen te worden bepaald door het aantal inwoners? Nog afgezien van een voor de hand liggend criterium als de oppervlakte van het territorium, kan worden gedacht aan diverse economische indicatoren zoals de omvang van de economie of van de handel, al of niet in combinatie met de ontwikkelingssamenwerking en/of de defensieuitgaven. Nederland is een belangrijke handelsnatie en is als exporteur op agrarisch gebied bijna een `grote mogendheid'.