De pijn van een prima donna

Professionele dansers pijnigen van jongs af aan dagelijks hun lichaam. Als de verhoudingen niet kloppen, is alle moeite voor niets geweest.

``DANS IS DE EDELSTE, aansprekendste, mooiste van alle kunsten omdat het geen abstractie, geen vertaling van het leven is, maar het leven zelf.'' Dit in danskringen veelgebruikte citaat van de Britse psycholoog Henry Havelock Ellis (1859-1939) gaat vooral op voor de hoofdrolspelers, de dansers. Dagelijks voelen ze hun lijf, gepijnigd door training en blessures. De dans bepaalt hun gewicht en lichaamsvorm. En een vernietigende opmerking van een choreograaf bepaalt wekenlang hun stemming.

Een toekomstig kunstschilder kan op zijn achttiende met beperkte techniek, maar goede ideeën op een kunstacademie worden aangenomen. Een danseres maakt al geen kans meer als zij op die leeftijd bij een balletacademie aanklopt. De selectie begint tegen het eind van de basisschool, onder tienjarigen. Toekomstige dansers en danseressen combineren doorgaans hun school- en dansopleiding.

De ingangsselectie van de balletscholen bepaalt de contouren van het corps de ballet dat tien jaar later op de planken staat. Zelfs de beste balletpedagogen verkijken zich wel eens op de potentie en het toekomstige lijf van zo'n jonge danser. Dr. Jacques van Rossum, verbonden aan de faculteit bewegingswetenschappen van de Vrije Universiteit, doet onderzoek naar belastbaarheid van het (jonge) danserslichaam: ,,Kinderen groeien vaak heel anders uit dan de ouders en opleiders vaak hebben gedacht. Soms wordt het lichaam van een jongen of meisje tijdens de groeispurt toch te lang of te dik om een geschikte danser te kunnen zijn.''

Een danseres die niet tot de absolute top behoort, maar wel goed genoeg is voor een corps de ballet van een groot gezelschap, maakt bij een sollicitatie geen kans als ze qua postuur en lichaamslengte niet bij de bestaande groep past. Solisten daarentegen moeten ook qua lichaamslengte een beetje boven de leden van de groep uitsteken. Dus wie heel goed maar kort is, danst geen solo.

Van Rossum: ,,Ik schat dat tien tot vijftien procent van de kinderen die aan een balletacademie beginnen uiteindelijk hun doel bereikt: een professionele carrière. Dat lijkt weinig, maar het steekt positief af tegen de resultaten van Amerikaanse professionele sportopleidingen. Dat zijn opleidingen waar jaren achtereen miljoenen guldens in worden gepompt. De vergelijking is wel terecht, want ballet is vergelijkbaar met echte topsport. Dansers maken zelfs erg veel trainingsuren.''

Tijdens de opleiding krijgen de soepele, tanige, vrijwel vetvrije lijven hun uiteindelijke vorm. Naar gemiddelde normen gemeten zijn dansers te mager. Dat komt door training, door in de eeuwige spiegels veel naar het eigen lijf en dat van collega's te kijken en door opmerkingen van de opleiders, bijvoorbeeld over ongewenste gewichtstoename. Het is een race naar een fysiek ideaal dat waarschijnlijk niet bestaat.

Door de aandacht voor het fysieke gestel zijn dansers ook psychisch kwetsbaar. Van Rossum: ,,De meeste dansers maken wel eens een depressie door. Als ik Amerikaanse literatuur mag geloven, zijn de psychosociale problemen zeker zo groot als de lichamelijke problemen. Waarschijnlijk ontstaan de psychische problemen door de manier waarop dansers feedback krijgen. Het oordeel van een choreograaf komt bijvoorbeeld vaak voort uit wat hij artistiek wil bereiken en heeft weinig te maken met wat de dansers kunnen. Beoordelaars hebben dus vaak andere belangen.''

Beter bekend zijn de lichamelijke blessures van dansers. Driekwart van de balletblessures zijn beschadigingen van benen, knieën, enkels of voeten, vaak het gevolg van het bij klassiek ballet noodzakelijke `uitdraaien' en het spitzenwerk. Hogere kwetsuren treffen vooral de ruggengraat en zijn het gevolg van overstrekken, van een te holle rug, of van te sterke oprekking van de lendenspier (musculus psoas), de spier die lendenruggenwervels met het bovenbeen verbindt.

Van Rossum: ,,Dansers volgen een lange opleiding voor een carrière die, naar het zich laat aanzien, steeds korter wordt.'' Ook in dat opzicht lijken dansers op topsporters.

Hetzelfde geldt voor de blessures die bij een afscheidsinterview ter sprake komen. Jeanette Vondersaar, tot 1997 eerste soliste bij het Nationale Ballet, zei in een afscheidsinterview: ,,Dansers zijn masochisten. Ik heb die 21 jaar geen dag zonder pijn gedanst. Ik ben aan beide knieën geopereerd, had gescheurde enkelbanden, een uit de kom gerukte schouder, een zweepslag en vorig jaar nog een gebroken teen.''