De groeven worden dieper

Een machtig man in de kunsten wordt morgen beloond voor een oeuvre van ruim honderd balletten. Hans van Manen, of: `de Mondriaan van de dans.'

JUNI 1950 WORDT DE JONGE toneelkapper Hans van Manen als door de bliksem getroffen wanneer hij op de Dam Jaap Flier ziet dansen. Behalve verliefd op deze expressieve danser wordt hij dat ook op de muze. Ballet wordt zijn leven. Hans van Manen (1932) zal als choreograaf die dans allure geven.

Morgen ontvangt Van Manen de Erasmusprijs 2000, nu ín het Koninklijk Paleis op de Dam. Als representant van `De dans in Nederland', de eigenlijke laureaat. Een wat halfslachtige toekenning die maar het best kan worden opgevat als eerbetoon aan deze kunstenaar.

Ter gelegenheid van de Erasmusprijs maakte Erwin Olaf een statiefoto die Van Manen typeert: een ijzeren blik in de grijsbruine ogen, in een schijnbaar ongedwongen pose in een chique pak. Met als opvallend detail in die gestileerde eenvoud de flonkerende gouden huwelijksring. Achter zijn rug een barre waaraan dansers houvast hebben bij de oefeningen.

Van Manen begon als balletdanser. Eerst bij Sonia Gaskell, daarna bij Françoise Adret. 's Avonds ging hij lekker swingen. Het stuk waarmee hij in 1956 debuteerde als choreograaf heet dan ook Swing. Danser bleef Van Manen niet lang. Te graag verbeterde hij anderen. Een `goed oog' had hij. Van Manen bleek een geboren choreograaf: hij zag de zuiverheid van lijnen en bedacht logische oplossingen voor malle passen.

Als zoon van een voormalige Duitse dienstbode en een scharrelaar groeide Van Manen niet op in een cultureel gezin. Overleven, daar werd aan gewerkt. Ondervoed kwam hij uit de oorlog. Het was de ontwerper Benno Premsela die zich over Van Manen ontfermde en hem introduceerde in de wereld van moderne abstracte kunst, design en goede smaak. Een cruciale vriendschap voor Van Manen die aards nieuwsgierig was en het talent had om wat hij zag tot iets eigens te maken. Toch zou hij pas via een grote omweg een eigen stijl creëren.

Als jongen was Van Manen fan van tapdanser Fred Astaire, iets later van de strakke jazzdans van Jerome Robbins. Van de Franse choreograaf Roland Petit leerde hij dat dans realistisch kon zijn. Bovenal bewonderde hij de perfecte schoonheid van Balanchines balletten. Al die visies tekenen zich successievelijk af in zijn werk. Als eerste waren dat de jazzballetten die hij in de jaren zestig maakte voor televisieshows; swingende stukken waarmee hij het grote publiek won voor dans. In de periode dat hij het moderne Nederlands Danstheater leidde, vloog Van Manens werk nog alle kanten op: van klassiek tot experimenteel. Maar al in die, door Jean-Paul Vroom clean vormgegeven balletten, werd het serene karakter van zijn latere werk zichtbaar. Dat modern neoklassieke werk creëerde Van Manen bij Het Nationale Ballet waaraan hij van 1973 tot 1985 was verbonden. Topstuk uit die collectie was Adagio Hammerklavier, met daarin een onsterfelijk adagio duet door Alexandra Radius en Han Ebbelaar. Een ballet vol uiterst beheerste emoties, dat ruimte biedt aan de geest, maar het hart evenzeer raakt, door die ene subtiele draai of door de muzikaliteit. Ook zonder kennis van partituren weet Van Manen muziek te doorgronden, of het nu gaat om Beethoven, Satie of Piazzolla's uitdagende tango's.

De `Mondriaan van de dans' is hij genoemd, wegens dat heldere lijnenspel in zijn balletten en omdat zijn werk verschoond is van tierelantijnen en nooit sentimenteel wordt. Een ander veelzeggend epitheta kreeg hij van Jirí Kylián, die hem `meester in de eenvoud' noemt.

Aan de glorietijd bij Het Nationale Ballet kwam na de verhuizing naar Het Muziektheater abrupt een einde. Na fikse onmin met de leiding brak Van Manen met de groep en keerde in 1988 terug naar het Danstheater in Den Haag. Daar was Kylián inmiddels artistiek directeur. De terugkeer was precair en riskant, maar diep wederzijds respect tussen beide grootmeesters maakte het tot een succes. Juist de samenwerking met dansers die niet expliciet een klassieke uitstraling hebben, verrijkten zijn balletten, en gaven daar een zekere verfijning aan. Sinds kort is Van Manen weer te gast bij Het Nationale Ballet en pendelt hij op en neer tussen woonplaats Amsterdam en Den Haag.

Het oeuvre van Van Manen telt ruim honderd balletten. Ook buiten de danswereld kan dat op erkenning rekenen. Simon Vinkenoog was zo'n bewonderaar in de jaren zestig, Ischa Meijer werd een goede vriend, Willem Jan Otten wijdde een prachtig essay aan Van Manen. Hoewel Van Manens werk geen enkele literaire intentie bezit. Vooral de gewaagde mix van schoonheid en experiment zal aantrekkelijk zijn geweest. Het videoballet Live uit 1979 was zo'n bejubeld stuk. Dat hij een boksende fotograaf zette tussen danseressen op torenhoge pumps, werd als daad opgevat. Balletten als statements, zo ziet Van Manen zijn werk zelf graag. Die `statements' duren niet langer dan een kwartier. Mede daarom is het werk zo krachtig, al lijkt dat soms ook wel een eeuwigheid te duren. Dat manipuleren van tijd getuigt van klasse.

In 1992 werd Van Manen geridderd tot officier in de Orde van Oranje Nassau, bij jubilea en verjaardagen werd hij gehuldigd en over zijn werk zijn diverse boeken geschreven. NRC Handelsblad balletrecensente Ine Rietstap bijvoorbeeld vindt Van Manens balletten beter dan die van zijn grote voorbeeld Balanchine, omdat ze over mensen gaan, emotionele diepgang bezitten.

Het oeuvre van Van Manen wordt gekoesterd. In Nederland door de twee grote gezelschappen en het Arnhemse Introdans Jeugdensemble. Wereldwijd prijken Twilight, Grosse Fuge, Sarkasmen en Adagio Hammerklavier op het repertoire van gerenommeerde gezelschappen. Sinds 1982 worden ze nauwgezet ingestudeerd door Mea Venema, een van zijn muzen uit de tijd van het Danstheater.

Van Manen dwingt respect af, hij is een machtig man in de kunsten. Zijn handtekening onder een protestblaadje is goud waard en voor aankomend talent is het goed toeven in zijn directe nabijheid. De leerling werd leermeester, die liefst spreekt in oneliners en geen nuancering kent. Erop of eronder, is het motto in de balletcultuur, want een pirouette die half is ingezet, draait uit op een val. Van Manen heeft ook een minder leuke kant. Als zaken anders lopen dan hij wil, kan hij zich hard keren tegen mensen met wie hij jaren samenwerkte, om de volgende keer doodleuk `hallo schat' te roepen. Een tegenstrijdig mens, zegt hij zelf. Iemand die liever buiten de perken leeft dan het geijkte pad volgt. Een duivel voor wie hem niet ligt, voor een ander een hartelijk mens.

In de loop van de tijd werden de groeven in zijn ziel dieper. Milder worden ligt niet in zijn aard. Daarvoor kreeg hij wellicht te veel klappen, door de doden die in zijn omgeving vielen. Sinds Corps (1985) gaat zijn werk vaak over eenzaamheid, afscheid, dood. Daarmee won het nog aan diepgang. Kortgeleden ontving Van Manen prijzen in Duitsland en Groot-Brittannië. Hij bevindt zich nu in de bevoorrechte positie geen leiding te geven aan enig gezelschap, zodat hij zijn scheppingsdrift ongehinderd in dans kan vertalen. Met een on-Nederlands temperament gaat hij voort. Bijzonder dat juist hij als de personificatie van de Nederlandse dans is gaan gelden.