Commissarissen zijn niet almachtig

Hoogleraar A. Boot gaf in deze krant van 24 oktober zijn mening over het voorstel van de SER inzake de samenstelling van raden van commissarissen. Boot is van mening dat de ondernemingsraad (OR) zich daar niet mee moet bemoeien. Hij ziet echter een aantal aspecten over het hoofd.

Een commissie van de SER is bezig een ontwerpadvies te formuleren waarover de SER medio december zal besluiten. Het is beter het advies af te wachten alvorens dit te becommentariëren. Bovendien: het gaat helemaal niet om de samenstelling van élke raad van commissarissen, maar uitsluitend over de vraag of de zogenoemde structuurregeling moet worden herzien. Deze regeling geldt alleen voor zeer grote ondernemingen die in het bedrijfsleven ver in de minderheid zijn. Voor de overgrote meerderheid van NV's en BV's is het onderhavige onderwerp dus volstrekt niet relevant.

In discussies over corporate governance worden vaak standpunten ingenomen die blijk geven van onvoldoende kennis van de juridische stand van zaken. Men bepleit veranderingen zonder op de hoogte te zijn van het complex van regels dat veranderd zou moeten worden. Boot heeft het bijvoorbeeld over de almachtige raad van commissarissen. Dat is juridische onzin: het ondernemingsrecht is een samenstel van aan verschillende organen toegedeelde bevoegdheden. De raad van commissarissen heeft het lang niet altijd voor het zeggen, zelfs niet in structuurvennootschappen.

Voorts beweert Boot dat commissarissen in hoge mate onschendbaar zijn: ,,Commissarissen kiezen zichzelf en kunnen niet ontslagen worden, tenzij er sprake is van juridisch aantoonbaar falen.'' Echter, men kiest niet zichzelf, maar wordt via een procedure van selectie en voordracht benoemd. Commissarissen kunnen wel degelijk ontslagen worden of gewoon niet worden herbenoemd, en bij juridisch falen zijn ze zelfs voor schade aansprakelijk. Niet-functionerende commissarissen moeten naar huis gestuurd kunnen worden, aldus Boot. Te zijner geruststelling: dat kan al heel lang.

De kern van Boots opinie is dat aandeelhouders veel meer te vertellen moeten krijgen en dat kan niet via een SER-advies, want aandeelhouders zijn niet vertegenwoordigd in de SER. Het punt van de niet-aanwezige aandeelhouders geldt echter vooral hun afwezigheid op de vergadering van aandeelhouders. De meeste beleggers zijn namelijk helemaal niet geïnteresseerd in zeggenschap, maar in het rendement van hun belegging. Daarom nemen ze meestal genoegen met certificaten van aandelen, die wel dividendrecht geven, maar geen stemrecht (een spreekrecht hebben ze overigens wel).

Boot probeert vervolgens een argument voor zijn mening te ontlenen aan een Europese regeling over de uitkoop van minderheidsaandeelhouders. Deze regeling heeft echter met het door hem behandelde onderwerp niets van doen. Aandelen en certificaten worden door elkaar gehaald en in de passage over het verschil tussen arbeid en kapitaal maakt Boot een karikatuur van de gang van zaken in vennootschappen: de vergadering van aandeelhouders heeft echt belangrijker bevoegdheden met betrekking tot het ondernemingsbestuur dan de werknemers of de OR.

Overigens wordt van de OR geen kiescommissie voor de raad van commissarissen gemaakt en is er geen sprake van dat dit instituut wordt ontmanteld.

Prof.dr. A. Brack is hoogleraar Bedrijfsrecht aan de Universiteit Twente.