Chinees eet liever niet bij de Chinees

Waar antropologen pakken papier volschrijven om cultureel relativisme uit te leggen, heeft een kunstenaar soms genoeg aan een enkel beeld genoeg. Roy Villevoye verruilde in Papoea Nieuw-Guinea zijn t-shirts voor grasrokjes en documenteerde hoe de Asmat zich het Westerse textiel toe-eigenden. De oerwoudbewoners scheurden de shirts en hemden aan flarden die ze vervolgens weer aan elkaar vlochten of knoopten. Gedrapeerd over een zondagse blouse of geconserveerd in een, als poncho gedragen, plastic zak, kregen de shirtjes een nieuwe betekenis als accessoires. Niet de opdruk maar het gatenpatroon bepaalt nu de waarde van het kledingstuk. Refashion II is de passende naam van de installatie van bewerkte t-shirts en foto's.

Villevoye's werk maakt deel uit van de internationale groepsexpositie Import Export in het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem. De catalogus die bij deze tentoonstelling hoort laat zich lezen als een collegedictaat voor studenten culturele antropologie. Aan de hand van het werk van negen kunstenaars worden theoretische balletjes opgeworpen over onder meer de invloed van economie op kunst, culturele en politieke integratie en de grensvervaging tussen beeldende kunst en aanverwante disciplines. De gewichtige termen worden op zo'n ondoorzichtige wijze op een hoop gedumpt dat zelfs de meest doorgewinterde postmodernistische theoriemenger er geen wijs uit wordt.

De video-installatie Coming Home van Jun Yang leent zich wel goed voor de bedoeling van de tentoonstellingsmakers om iets te zeggen over de globalisering van de kunst. De Oostenrijkse Chinees vertelt over hoe hij opgroeide in het Chinese eethuis van zijn ouders. Iedere avond at naar keuze van het uitgebreide menu. Terwijl vriendjes dit als een ongekende luxe ervoeren, hunkerde het restaurant-kind naar de opgelegde saaiheid van de Oostenrijkse pot. Deze kleine, alledaagse tragedie wordt verteld door een voice-over bij een reeks aan elkaar geplakte restaurant-scènes uit speelfilms.

Hoewel het bewegende en het stilstaande beeld er in eerste instantie niets mee te maken hebben, dwingt de verteller ze in de rol van illustraties bij een hoogst persoonlijk verhaal. Andersom zijn de beelden zo universeel dat ze de individuele ervaringen voor een breed publiek begrijpelijk maken. Yangs werk verbeeldt de globalisering van de beeldcultuur. In tegenstelling tot Villevoye, die de nadruk legt op het eigen en uniek maken van een universeel artikel, streeft Yang met zijn internationaal behapbare idioom een zo groot mogelijke afzetmarkt na voor zoiets particuliers als een jeugdherinnering.

Barbara Visser stelt met haar installatie Boom-Box de waarde van beelden op meer confronterende wijze aan de kaak. Zij laat een lieflijk Alpendal zien met wuivende naaldbomen en kwetterende vogels, het soort gepolijst plaatje dat reisbureaus via glossy folders wereldwijd exporteren. Net als de kijker bijna in slaap is gesust, komt op de geluidsband een auto met piepende banden en dreunende geluidsinstallatie voorbij. De rust keert wel weer terug in de landelijke idylle maar de kunstmatigheid ervan is definitief doorgeprikt.

Claude Lévêque combineerde in zijn installatie Untitled een neon van Mickey Mouse met de tekst `Arbeit macht frei' zoals die in roestige letters te lezen valt boven de poort van concentratiekamp Auschwitz. Naar eigen zeggen wil de kunstenaar met die combinatie van nazi-cynisme en Walt Disney waarschuwen voor de bedreiging die massa-entertainment vormt voor het historisch bewustzijn. Maar verder dan platte shock-art komt hij niet. Aan sommige beelden kleven nu eenmaal te sterke associaties die zich niet laten ombuigen. Mickey en Auschwitz schuren ongemakkelijk langs elkaar heen maar vertellen samen geen nieuw verhaal.

Veel sprekender is het werk van de Duitse Michaela Melián. Zij voerde een machinegeweer, het zogeheten Mossberg Model, uit als lappenpop. In Bordeaux rode velours, roze badstof en glimmende zijde krijgt het schiettuig een vervreemdend knuffelkarakter. Het gaat hier om een regelrechte hit uit de wapenexport waarvan de aantrekkingskracht door de materiaalverandering van de ene financiële – pool naar de andere vertedering – slingert. Melián ironiseert met haar onalledaagse icoon de economische, politieke en artistieke aspecten van import en export. En ze heeft geen topzwaar filosofisch verhaal nodig om dat uit te leggen.

Tentoonstelling: Import Export. T/m 26/11 in Museum voor Moderne Kunst, Utrechtseweg 87, Arnhem. Open: di-vr 10-17u.,

za-zo 11-17u. Catalogus, 92 blz. ƒ20,-.