Alle grenzen zijn vervaagd

De Nederlandse dans heeft altijd opengestaan voor invloeden van buitenaf. Het resultaat: een veelvormige danscultuur, van klassiek tot bizar.

PAK IN EEN WILLEKEURIG theater de seizoensfolder en je treft een waslijst aan dansvoorstellingen. Van theater De Lampegiet in Veenendaal tot De Harmonie in Leeuwarden staat dans geprogrammeerd. Veelal is dat moderne dans, want klassieke balletten passen daar niet.

Zo'n ruime keuze op zo veel plekken bestond een halve eeuw geleden niet. Nederland telde toen drie balletgroepen én Scapino, dat kinderen inwijdde in de betoverende wereld van ballet. Tegenwoordig kan de jeugd kiezen uit wel vier dansgroepen. Die explosieve ontwikkeling weerspiegelt in het klein de groei die de Nederlandse dans sinds 1945 in zijn geheel doormaakte, zowel kwantitatief als in kwalitatieve zin. Nederland plaatste zich internationaal gezien als dansland op de kaart.

Op het fundament dat vier bevlogen artistiek leidsters – Françoise Adret, Sonia Gaskell, Mascha ter Weeme en Hans Snoek – in de naoorlogse jaren hadden gelegd, verrees een knap staaltje dansarchitectuur.

Eind jaren vijftig ontstond ruimte voor mensen om zich primair te wijden aan het maken van dans. Dat deden Rudi van Dantzig, Jaap Flier, Hans van Manen en later Toer van Schayk. Nederland als choreografenland was geboren.

Vernieuwing stond bij deze choreografen voorop, al kreeg de traditie ook een plek. Openheid werd een wezenlijke karaktertrek van onze dans. De blik was gericht op Groot–Brittannië, en sterker nog op Frankrijk waar mensen als Roland Petit en Maurice Béjart de toon aangaven. Maar het meest trok New York, waar Antony Tudor en het duo George Balanchine en Jerome Robbins leiding gaven aan respectievelijk American Ballet Theatre en New York City Ballet. Voor de liefhebbers van klassiek ballet bleven de traditionele gezelschappen Kirov en Bolsjoj uit de Sovjet-Unie de ijkpunten. Mede dankzij het Holland Festival, dat buitenlands ballet prominent in zijn programmering betrok, werden Nederlandse choregrafen en dansers geïnspireerd door collega's met eigentijdse visies, stars, étoiles en prima ballerina's.

De dans ontwikkelde zich in rap tempo. Naast het (neo)klassieke Nationale Ballet ontstond in 1959 het moderne Nederlands Danstheater (NDT). Na de experimentele NDT-jaren, met het duo Hans Van Manen en Glen Tetley, volgden gouden klassieke jaren bij Het Nationale Ballet met de drie Van's: Van Manen, Van Dantzig, Van Schayk. Existentieel en somber werk werd afgewisseld met sereen neoklassiek ballet. En toen kwam in 1975 onverwachts Jirí Kylián naar Den Haag, een jonge Tsjech die voortvarend de groep naar zijn hand zette en met zijn dynamische stijl nieuw leven inblies. In korte tijd deed hij het NDT internationaal stijgen tot een toppositie die het uitdijende gezelschap nog steeds bezit. Na 1988 zou Van Manen er ook weer terugkeren, nu als choreograaf.

Tegelijkertijd ontwikkelde zich in de marge de avant-gardedans. In de kleine theaters was de introverte stijl van choreografe Pauline de Groot en de theatrale dans van het duo Koert Stuyf en Ellen Edinoff te zien. Hun eigentijdse avant-gardedans was deel van Fluxus, het internationale samenwerkingsverband van kunstenaars, musici, filmers en schrijvers, en maakte Amsterdam nog meer tot magisch centrum dan het destijds al was.

Zo ontstond een nieuwe garde, mede geïnspireerd op de Amerikaanse postmoderne dans. Dat uitte zich eind jaren zeventig in artistieke statements, waarvan Lopen van Bianca van Dillen en Lines van Krisztina de Châtel markante voorbeelden waren. De dans werd `literair' bij Amy Gale en Ton Lutgerink of abstract bij Ton Simons. Uit die visies ontstonden stijlen die de heldere signatuur van de maker droegen, of ze nu het voorbeeld volgden van de Amerikaanse Merce Cunningham of van de Duitse Pina Bausch.

Het Shaffy Theater was het podium voor de dans, Springdance werd het festival. In die enerverende jaren zeventig en tachtig gingen de dansers gewaagde liaisons aan met componisten, kunstenaars en filmers, en verkozen ze bijzondere locaties boven gewone podia. Experimenteel was de dans, zonder rafelig te zijn: fantasierijk, persoonlijk en universeel.

Hoewel de Belgische Anne Teresa de Keersmaeker de moderne dans in 1983 met haar expressieve Rosas danst Rosas de dans nog eens een flinke impuls gaf, leek eind jaren tachtig de rek er een beetje uit. Enkele oudgedienden gingen onverminderd krachtig voort, maar naar een nieuwe generatie moest je met een lampje zoeken. Pas na jaren van stilte stak die behoedzaam de kop op, met Leine & Roebana als boegbeeld van die nieuwe dans.

Zij bleken opmaat tot een bruisend tijdperk, dat niet eenvoudig op een heldere manier in kaart valt te brengen. De nieuwe dans is namelijk even complex als onze samenleving: grenzen tussen genres zijn vervaagd, ideeën en stijlen zijn versmolten. In navolging van de Amerikaan William Forsythe, die eerder de academische spitzendans ontdeed van zijn klassieke aureool en inpaste in de conceptuele kunst. Forsythe heeft het dansende lichaam opnieuw geanalyseerd en gedefinieerd en is nu op zoek naar een synthese tussen het mentale en fysieke. Zijn invloed op de dans is ook hier zeer groot.

De Nederlandse dans was altijd al internationaal van oriëntatie. Dat komt mede door de aanwezigheid van een groot aantal buitenlandse dansers. Nu Europa één wordt, neemt de beweging naar ons land sterk toe. Die dans zonder grenzen lijkt metaforisch voor hoe onbegrensd de dans in alle opzichten nu is. Zo kunnen we in De Lampegiet in Veenendaal oudere Japanners dansend aantreffen met jonge Israëliërs. En in Leeuwardens Harmonie dansen mannen perfect op de spitzen.

Kille technologie en nieuwe media, computer en video dringen de dans binnen. Warm engagement bleef, persoonlijk of politiek getint: strak gestileerde woede over oorlogsgeweld of fel realistisch geuite homo-erotiek. Wie louter de schoonheid van dans wil beleven, kan genieten van op Bach en Beck geïnspireerde pure dans. Wie van drama houdt, kan terecht bij een poëtische verbeelding van het leven van een decadente cultfiguur. Er is bizarre freakdans, maar ook geconcentreerde meditatieve dans. En in The Sleeping Beauty danst sprookjesprinses Aurora nog steeds de sterren van de hemel, schijnbaar onwetend van alle moderne capriolen.

En wat gebeurde er in al die jaren met Scapino? Dat veranderde van prentenboekballet tot dansgroep met een eigentijds imago. Ook die metamorfose typeert een halve eeuw dans in Nederland.