Ontruiming

De communicatie naar buiten toe, om het even modern uit te drukken, is nooit het sterkste punt van de krakers geweest. Verzet kan mooi en heroïsch zijn, maar je moet het publiek wel even duidelijk uitleggen waar het om gaat.

Gistermiddag heb ik de ontruiming gevolgd van een pand op de hoek van de Herengracht-Gasthuismolensteeg in Amsterdam. 's Morgens had de ME een ware veldslag moeten voeren met krakers in de `Kalenderpanden' achter Artis. De ontruiming aan de Herengracht hoorde thuis in de categorie `kleinere ontruimingen'.

Wat heet. Ik schat dat er twee uur lang zo'n honderd tot de tanden bewapende ME'ers in de weer zijn geweest om de vijf krakers uit het hoekpand te krijgen. Al die tijd waren alle toegangswegen in de omgeving afgezet. Boven onze hoofden cirkelde dreigend een helikopter. Het leek, kortom, een complete militaire operatie.

De politie wilde kennelijk na die hete morgen geen enkel risico meer nemen. Eerst verscheen een waterkanon ten tonele dat de voorgevel van het pand onder handen nam. Het was een oud, verweerd pand en het vele houtwerk zal het niet overleefd hebben. Toen mocht een reusachtige oranje hijskraan het werk afmaken: groepjes ME'ers werden in een grote bak naar het dak gehesen vanwaar ze het pand binnendrongen. Missie voltooid, maar de operatie nog niet. De politie bleef op haar post tot er een ploeg van bouw- en aannemersbedrijf Krot-Boers (naamgrappen niet toegestaan) was gearriveerd. Toen konden we zien wat het huisraad van de krakers was geweest, want dat werd onbarmhartig uit de ramen gegooid. Matrassen, dekens, stoelen, tafels, een ladder, twee potplanten.

Die vijf krakers waren toen al in een wit busje afgevoerd. Op het hoogtepunt van hun actie waren ze op het wrakke balkonnetje en op het dak verschenen. Vooral die ene jongen op het dak trok sterk de aandacht. Hij had, evenals de anderen, een witte overall aan met een capuchon, en hij trotseerde dapper de keiharde stralen uit de waterwerper. Soms was je bang dat hij van het dak zou worden geblazen, maar telkens rechtte hij weer zijn rug, liep naar de rand van het dak en gooide een verfbommetje. Dat bommetje was nog niet op de grond gekomen of een nieuwe waterhoos trof hem vol op de borst.

Als het mijn zoon was geweest, zou ik dan trots op hem zijn? Eerder bezorgd, denk ik. Vandaag of morgen moest ik hem bij het bureau ophalen. Daar zat hij, witjes, stil en vooral snotverkouden, want dat water gaat heel erg in je kouwe kleren zitten. Hij keek een beetje langs me heen. Misschien schaamde hij zich voor de andere krakers. Wie laat zich nou ophalen door zijn vader?

Ik zou niet meteen tegen hem gaan zeuren, maar na een paar dagen zou ik hem toch moeten wijzen op de zinloosheid van symbolisch verzet dat onverklaard blijft. Ik zou vragen: waarom vertelden jullie ons niet via megafoon, flyers et cetera – waarom je in dat pand zat? Nu stond ik daar, met honderden andere meewarig toekijkende Amsterdammers, en ik kon op den duur alleen maar denken: jongen, kom van dat dak af.