De `bijna optimale' aanpak van BSE

Nederland komt er in het evaluatierapport van Europese deskundigen over de BSE-crisis niet slecht af. Toch blijven ook hier risico's bestaan.

Hoe groot is de kans om in Nederland door het eten van gekkekoeienvlees de hersenziekte variant-Creutzfeldt-Jakob te krijgen? Wie van kansberekeningen houdt, kan zijn hart ophalen aan BSE.

De deskundigen van het Scientific Steering Committee (SSC), dat de Europese Commissie adviseert in de BSE-crisis, hebben na twee jaar rekenen het `geografisch BSE-risico' voor 23 landen bepaald. Het SSC onderzocht welke maatregelen landen hebben genomen om de gekkekoeienziekte te bestrijden en welke risicofactoren er in elk land waren, en zijn. Nederland komt daarbij niet slecht uit de bus, ondanks de acht Nederlandse koeien bij wie sinds 1995 bovine spongiform encephalopathy (BSE) is ontdekt. Vergeleken met Groot-Brittannië zijn de risico's in Nederland, en in de meeste andere Europese landen, gering. In Groot-Brittannië wordt rekening gehouden met 800.000 besmette runderen. In Nederland zou het, volgens het SSC-schattingen, mogelijk om een veertigtal dieren gaan.

Professor R. Anderson, een Brits epidemioloog, schatte onlangs in het blad Nature dat één zieke koe wel twee slachtoffers kan maken. Uitgaande van de 32 besmette koeien die mogelijk in de Nederlandse voedselketen zijn beland (acht werden er immers tijdig ontdekt, red.), kan het in Nederland gaan om een zestigtal potentiële slachtoffers in de komende dertig jaar. In Groot-Brittannië kunnen volgens prognoses van wetenschappers tegen de 200.000 slachtoffers vallen.

Dat in Nederland maar acht BSE-koeien zijn ontdekt komt omdat de BSE-controle tot nu passief was, meldt het SSC. De procedure is dat dierenartsen die bij een koe de symptomen van BSE ontdekken de autoriteiten waarschuwen. Vóór 1990 was er helemaal geen controle. Daarna, tot 1997, nam de Gezondheidsdienst voor Dieren jaarlijks niet meer dan tien monsters van hersenen van overleden runderen. De hersenen zijn de plek waar de ziekte is vast te stellen. Nadien nam de dienst meer dan 500 monsters per jaar. Van 1990 tot 1995 onderzocht het onderzoeksinstituut ID-DLO in Lelystad niet meer dan 3 BSE-monsters per jaar. In 1998 waren dat er al 610. In de toekomst, als in opdracht van de EU actief gecontroleerd wordt, gaat het ID-DLO 12.000 monsters per jaar onderzoeken.

Overigens zei minister Brinkhorst gisteren in de Tweede Kamer dat voorlopig alleen in 2001 dit grote aantal controles zal worden uitgevoerd. Pas daarna wordt bekeken of deze vertienvoudiging van het huidige aantal controles wordt voorgezet. Volgens Brinkhorst is de vertienvoudiging bedoeld ,,om een beter beeld te krijgen van BSE in Nederland''. Volgens hem geeft de Nederlandse situatie evenwel ,,geen aanleiding tot zorgen.''

In Groot-Brittannië overleden tot nu toe 77 mensen aan de variant van Creutzfeldt-Jakob. In Nederland is nog niemand gevonden die aan de dodelijke hersenziekte lijdt. Mochten er besmettingen hebben plaatsgevonden, hetgeen deskundigen niet uitsluiten, dan duiken die in de komende jaren op. De Nederlandse veestapel werd, volgens het SSC, op zijn laatst eind jaren tachtig besmet. Nederland liep daarmee zo'n tien jaar achter op Groot-Brittannië. De eerste Britten werden, na een incubatietijd van maximaal tien jaar, rond 1995 ziek.

Nederland nam ná Groot-Brittannië maatregelen tegen BSE, maar was eerder dan menig ander Europees land. Toen de ziekte Nederland aandeed was er weinig kennis over BSE. Maatregelen die besmetting konden voorkomen ontbraken. Naarmate het inzicht in de verspreiding van de ziekte vorderde, volgden ook de maatregelen. Al in 1989 werd het verboden om diermeel te voeren aan herkauwers. Ontdekt was namelijk dat mengvoeders, waarin meel van besmette koeien is verwerkt, een bron van besmetting vormen.

In 1990 stelde Nederland eenzijdig een verbod in op de import van Brits diermeel. Tot dan toe waren jaarlijks duizenden tonnen mogelijk besmet diermeel uit Groot-Brittannië in Nederland verwerkt in mengvoeders. Britse mestkalveren die naar Nederland werden geëxporteerd (96.000 tot 187.000 per jaar) kregen een roodgekleurd oormerk. Ze werden apart vervoerd en afgezonderd afgemest.

In 1993 werd Nederlandse mengvoederbedrijven verboden om op een productielijn mengvoer voor herkauwers te maken vlak ná de productie van pluimvee- en varkensvoer waarin méér dan zes procent diermeel was verwerkt. Door deze werkwijze bleken resten van diermeel in mengvoeders voor herkauwers te komen. Maart 1999 is deze maatregel verscherpt.

In augustus 1997 volgde, op advies van het SSC, een belangrijk besluit. In Nederland moesten voortaan uit geslachte runderen de risico-organen, specifiek risico materiaal (SRM) genoemd, verwijderd worden. Het gaat om hersenen, ogen, tonsillen en ruggenmerg van runderen ouder dan één jaar. SRM is infectueus, in tegenstelling tot bijvoorbeeld spiervlees en melk. Tot dan toe was SRM in de voedselketen terechtgekomen. Andere Europese landen, waaronder Duitsland, weigerden het voorbeeld te volgen en stonden toe dat SRM gebruikt werd voor de bereiding van diermeel en gelatine. In Nederlandse winkels liggen daarom nog steeds (buitenlandse) producten waarin SRM is verwerkt. Gelatine uit slachtafval zit in worst, drank, deegwaren, snoep en melkproducten als yoghurt, vruchtenquark en slagroom. Pas 1 oktober jongstleden stelde de Europese Commissie de SRM-maatregel verplicht voor alle lidstaten.

Het SSC heeft een positief oordeel over de Nederlandse aanpak. Hoewel de risico's nog niet verdwenen zijn, is de BSE-controle ,,bijna optimaal''. De onderzoekers van SSC in hun rapport over Nederland: ,,Ervan uitgaande dat de maatregelen doeltreffend worden uitgevoerd en er geen nieuwe externe BSE-bedreiging bijkomt, zal het BSE-risico dalen.''

`Bijna optimaal' is nog niet optimaal. Bij controles in veevoederbedrijven zijn dit jaar nog negen keer dierlijke resten aangetroffen in voer voor herkauwers. De Algemene Inspectiedienst (AID) van het ministerie van Landbouw maakte in vier gevallen proces verbaal op.