Bush en het anti-Amerikanisme

Om te beseffen hoe snel de wereld is veranderd, herinneren we ons de Nieuwe Wereldorde, in 1991 plechtig afgekondigd door president Bush, nadat Saddam Hussein zich van Koeweit meester had gemaakt. De Koude Oorlog was gewonnen, Amerika stond op het toppunt van zijn macht. Meer leek niet mogelijk. Deze positie bracht verplichtingen met zich mee. Met zijn als historisch bedoelde redevoering volgde Bush de internationalistische traditie, gezet in 1917, bevestigd door Woodrow Wilson, hernieuwd in 1941 en opnieuw bekrachtigd door Harry Truman. De oorlog in de Golf is ook, vanzelfsprekend, gevoerd om grote Amerikaans belangen te verdedigen: de olie en de bestrijding van Saddams regime, dat kernwapens wilde hebben. Maar dit alles is niet in tegenspraak met de internationalistische motieven, zoals Bush sr. ze in zijn rede onder woorden bracht.

Negen jaar later jaagt zijn zoon de bondgenoten de stuipen op het lijf door te laten verklaren – door zijn woordvoerder/adviseur voor buitenlandse politiek, mevrouw Condoleezza Rice – dat onder zijn bewind de volledige verantwoordelijkheid voor Joegoslavië aan de Europeanen zou worden toegewezen. Overigens hangt deze dreiging al langer in de lucht. Maar bij Bush jr. zou het serieuzer zijn.

Zijn concept voor de buitenlandse politiek, voorzover het duidelijk is geformuleerd, verschilt radicaal van wat Washington de afgelopen driekwart eeuw in praktijk heeft gebracht. Hij heeft niets op met het `nation building', de interventie in buitenlandse conflicten met de bedoeling het betrokken land tot een democratische staat te bevorderen. Het Internationaal Monetair Fonds, het instituut waardoor buitenlandse hulp naar de behoeftigen wordt gesluisd, deugt niet, want heeft nauwelijk effect. Een lening van 4,8 miljard dollar kwam hoofdzakelijk in de zakken van de `schurk' Tsjernomyrdin terecht (die daarna met een proces heeft gedreigd). Castro blijft geboycot, Star Wars, het antiraketprogramma dat diepe achterdocht in al het buitenland wekt, en in Amerika zelf felle kritiek, zal verder worden uitgevoerd als het aan hem ligt. Allemaal voorboden van een agonizing reappraisal, een pijnlijke herwaardering van de buitenlandse politiek.

Het concept van Al Gore is veel meer een voortzetting van dat van Clinton. Interventie, militair maar liever economisch, wordt niet afgewezen. Bovendien beseft hij dat de overweldigende Amerikaanse macht weerstand oproept, waardoor inmenging aan de wet van de verminderende meeropbrengst is gebonden. Daarvoor heeft hij een term bedacht: `strategic humility', wat ik hier als `strategische bescheidenheid' vertaal.

In het verkiezingsdebat neemt de buitenlandse politiek overigens een bescheiden plaats in. Een week voor de verkiezingen is een van de belangrijkste aanknopingspunten de torpedojager Cole, die gehavend door de terreuraanslag in Aden, (17 doden), terug naar de basis wordt gesleept. Interventie kost Amerikaanse levens. Dat is, voorzover het over buitenlandse politiek gaat, een groot argument. Dat is het trouwens altijd geweest.

Tot zover de traditionele kant van het debat. Maar er is iets anders. Sinds de grote ontdekkingen in de laatste jaren van de vorige eeuw, het volkskapitalisme (of marktpopulisme) van de beurs, de mondialisering, internet, de nieuwe economie en daarmee verband houdende zegeningen of het mythen zijn dan wel verklaarbare verschijnselen is de economie in versneld tempo gegroeid, zijn meer mensen zichtbaar rijker geworden, heeft de Amerikaanse macht, militair en economisch, zich steeds verder van de rest van de wereld verwijderd.

Tegelijkertijd is de belangstelling van `de' kiezer voor `de' politiek verder afgenomen. De media putten zich uit in verslagen en analyses; de polls melden iedere dag wie op wie vóórligt, zodat het op een hardloopwedstrijd gaat lijken; de copywriters verzinnen de laaghartigste verdachtmakingen; de kandidaten bewerken de natie zo intensief dat je voor hun gezondheid gaat vrezen – het neemt allemaal niet weg dat niet meer dan ongeveer de helft zal gaan stemmen.

Achterdocht jegens de voortschrijdende industrialisatie van de campagnes door de belangen van corporate America dat opnieuw een recordbedrag in de campagnes investeert, zal een oorzaak van weerzin zijn. Dat is een motief van de actieve wegblijvers. Maar er is ook een deel dat het politieke bedrijf in zijn geheel voor gezien houdt, òf omdat het er niets van verwacht, òf omdat het zich dat kan veroorloven. Democratie: het zal wel. De helft doet niet mee.

Al deze ontwikkelingen zijn niet van vandaag of gisteren. Maar misschien zullen ze, als Bush wint, de volgende fase bereiken. In de buitenlandse politiek zou het dan gaan om een nieuw antwoord op de vraag wat het nationaal belang van Amerika is en wat dit eist. Niet meer een grand design van de onbetwiste leider van de wereld, geen wereldorde tot bevordering van vrede en democratie. Wil men in andere werelddelen elkaar uitmoorden, dan is dat eenvoudig gezegd de zaak van die werelddelen.

Het Amerikaans belang is de bevordering van de mondiale economie, voorzover dit een Amerikaans belang is; beperking van de kernwapensarsenalen van de andere landen en een verdere ontwikkeling van het SDI, de Star Wars; interventie als de olietoevoer wordt bedreigd, zoals in de Golfoorlog; bevordering van de vrije handel met behoud van sommige reserves die het Amerikaans belang dienen. Bedenk daarbij dat entertainment op het ogenblik een van de belangrijkste exportartikelen is. Voortzetting van de oorlog tegen de drugs, en de daarbij horende export van de vigerende Amerikaanse opvattingen terzake.

De nieuwe uitvoerende macht kan onder Bush een andere worden dan die we gewend zijn: meer de realistische uitdrukking van de nieuwe materiële, de onbereikbare macht die Amerika aan het begin van de eeuw is. Daarbij komt dan een cultureel-ethische kant die met de buitenlandse politiek niets te maken heeft. Bush is een geestdriftig voorstander van de doodstraf; zijn staat Texas heeft het record aan executies. Hij is een dogmatisch verdediger van vrij wapenbezit en verklaard tegenstander van abortus.

Bij Gore is dat allemaal veel gematigder. Zijn binnenlands programma verschilt hier en daar aanzienlijk. Maar zou hij zich kunnen veroorloven als president geen exponent van de nieuwe macht te zijn, maar bewaarder van de continuïteit? Dat kunnen we over een paar jaar pas zeggen. Afgezien van een voorkeur: Bush is duidelijker. Bij hem zou Europa zich sneller moeten voorbereiden op de nieuwe waarheid. Met Bush zou in Amerika niet populairder worden; nee, zich eerder moeten voorbereiden op een activering van het altijd sluimerend anti-Amerikanisme.