LIEFDESFONTEIN EN PLASTIC BROODTROMMELS

`Als leraar ben je steeds bezig kinderen dingen te laten doen die ze eigenlijk niet willen.' Marijke Harberts (1936) gaf ruim twintig jaar Nederlands op een scholengemeenschap in Amsterdam. Twee jaar geleden nam zij afscheid van het onderwijs. Vorige maand verscheen haar – zoals ze het zelf noemt – `slotakkoord', het boek `Doe effe normaal juf'. In 61 korte verhaaltjes, waarvan een aantal eerder als column in het dagblad Trouw verschenen, portretteert Harberts het schoolleven van alledag: de lessen, de sportdag, de rapportvergaderingen, de kerstviering en de leerling die ook wel eens een lesje wil geven en op verzoek van zijn klasgenoten die tijd besteedt aan seksuele voorlichting. Leerlingen van diverse pluimage buitelen over elkaar, in de 160 pagina's: crimineeltjes in de dop, macho's in de maak, kletskousen, pestkoppen, dropouts en talentvolle Marokkaanse en Turkse doorzettertjes. Harberts: ``De kinderen maken het vak leuk.''

Harberts heeft haar school zien veranderen van een witte school in een zwarte school, die om die reden liever niet met naam en toenaam in het boek genoemd wil worden. Voor haar was die gedaanteverwisseling van de school een kennismaking met een andere wereld. Tijdens zijn spreekbeurt vertelt politiek vluchteling Imran waarom hij Pakistan ontvlucht is. ``Mijn vader deed aan politiek. Zijn partij was het niet eens met de regering, die ging toen mensen arresteren en martelen. In de nacht kwam de politie, ze klopten aan, mijn opa deed open. Ze vroegen naar mijn vader, mijn opa wist dat hij gezocht werd. Hij zei: Hij is er niet. Ik sliep boven met mijn ouders. Die mannen wilden naar binnen, mijn opa weigerde en toen hebben ze hem doodgeschoten.'' Het is heel stil in de klas.

Harberts kreeg meer en meer bewondering voor de kinderen die het ondanks alles toch redden op school. ``Allochtone leerlingen op het vwo werken zich echt suf. Dat zijn echte uitblinkers en doorzetters. Ik ben pas nog bij een oud-leerling op bezoek geweest. Zijn jongere zus zit in 5-havo. Ze liet me haar kamertje zien dat ze met haar zusje deelt: een stapelbed en een klein tafeltje vol boeken, schriften en pennen. `Dit is mijn leven', zei ze. Zo'n kind moet je een medaille geven als ze haar diploma haalt.''

Op de bank in haar bovenwoning in Amsterdam bladert Harberts door haar boek. Ze houdt stil bij het verhaaltje `Mehmet'. De leerlingen waren twee lesuren bezig met het schrijven van een opstel. ``Toen ik thuis zat te corrigeren en de eerste proeve van Mehmets schrijfvaardigheid onder ogen kreeg, begreep ik de wanhoop van mijn collega's. Taal- en spelfouten, vreemde zinsconstructies en wonderlijke woorden. Maar er was wel over nagedacht. Het onderwerp was: Gezag in het gezin. Hij schreef: `Gezag in het gezin berust op liefde en respect. (...) Ik vind Nederland een goed land, maar veel jongeren zien hun ouders als de bank en het ouderlijk huis als een hotel. (...) Het gezin moet een onophoudende fontein zijn dat liefde uitspattert. Ouders moeten het kind leren dat liefde de sleutel is voor ongeopende deuren. (...) Als een kind onthouden wordt wat het nodig heeft, liefdesfontein, zal het geen nuttige dingen doen. Van iemand met een versteend hart hoeft de mensheid niets te verwachten.' Ik verbeterde de fouten en dacht: deze jongen moet zijn diploma halen.''

``Voor veel allochtone leerlingen is het schrijven van een opstel heel erg lastig'', aldus Harberts. ``Als je iedere keer fout rekent dat `de' en `het' verkeerd gebruikt worden, zeg je in feite: `jij hoort hier niet thuis'. Je moet je grenzen verleggen. Kijk, een jongen als Mehmet is een goeie, slimme jongen, die het ver kan brengen. Hij is pas op zijn tiende in Nederland gekomen en zijn leraar op de lagere school heeft hem met veel bijlessen Nederlands geleerd. Ik kreeg hem in de klas toen hij doubleerde in 5-vwo. Bij zo'n jongen moet je niet kinderachtig zijn en op elk slakje zout leggen, vind ik. Dus heb ik Mehmet een beetje geholpen, ja.''

Die hulp bestond eruit dat Harberts het opstel dat Mehmet voor het eindexamen had gemaakt met een 5.5 beoordeelde, omdat dat precies genoeg was om hem te laten slagen. Overigens deed zij dat met medeweten van haar collega's. Het verhaal van Mehmet gaat verder. Harberts schreef: ``De diploma-uitreiking vindt plaats in een feestelijk versierde aula. Als Mehmet voor de zaal staat, in donkerblauw pak, vraagt hij het woord. `Ik heb mijn diploma aan mensen te danken. Mijn ouders. Mijn leraren. Mijn mentor. Het meeste wil ik danken meester Jan van mijn basisschool: hij heeft in mij geloofd. Meester Jan, wil je even komen?' Een jongeman loopt aarzelend naar voren. Mehmet omhelst hem. Langdurig applaus. Ik voel tranen over mijn wangen glijden.''

Harberts kan zich voorstellen dat allochtone leerlingen afhaken, vertelt ze. ``Het is moeilijk voor ze op school. Ze denken dat ze heel goed Nederlands spreken, maar het is huis-, tuin- en keuken-Nederlands. Als de taal abstracter wordt lopen ze vast. Woorden als `beklonken', `aspect' en `facet' heb je op straat niet nodig. Bij een woord als `gerechtsdienaar' denken zij aan iemand die een gerecht opdient. Het gevolg is wel dat deze kinderen vaak één niveau lager eindigen dan ze intellectueel aan zouden kunnen.'' Harberts paste haar taalgebruik aan haar leerlingen aan. ``Dat gaat sluipenderwijs. Proefwerken die wij twintig jaar geleden gebruikten zouden nu echt niet meer kunnen. De formulering van de vragen is bijvoorbeeld aangepast: simpel, helder, niet te veel moeilijke woorden.''

Harberts heeft voor haar boek nooit een echt dagboek bijgehouden, maar noteerde als ze uit school kwam wel dingen die ze die dag de moeite waard had gevonden. Een echt doel had zij niet voor ogen bij het schrijven van haar verhalen. Nadenkend: ``Achteraf beschouwd wil ik een pleidooi houden voor het prachtige beroep van leraar, maar ik wil ook de keerzijde van de medaille laten zien: de werkdruk en de verwaarlozing van de mensen op school.'' Zo beschrijft Harberts de scherpe tegenstellingen die ze ziet als ze vanuit de prachtige bedrijfskantine van een bankgebouw, waar één van haar leerlingen stage loopt, terugkomt op school: ``Ik loop over het met kauwgom bespikkelde plein en lees in wit krijt op de tegels: `Ismaël is een mongool'. In school valt me ineens op hoe armoedig alles oogt. In de leraarskamer krult de vaste vloerbedekking in de hoeken omhoog, de bekleding van de bankstellen hangt los. Twintig jaar geleden nieuw ingericht, sindsdien niets meer aan gedaan. Aan de formica tafels zitten collega's met koffie en plastic broodtrommels.''

Terugkijkend op haar schoolleven heeft Harberts het meeste plezier beleefd aan momenten waarop zij sámen met haar klas lol had. ``Lesgeven is ontzettend leuk als de leerlingen je mogen en jij hen mag. Als je merkt dat ze de pest aan je hebben, of omgekeerd kan het heel zwaar zijn. Als je vrolijk en met veel energie een klas binnengaat krijg je dat terug. Ben je chagrijnig dan loopt zo'n les niet lekker. Kinderen houden je echt een spiegel voor.''

Marijke Harberts, Doe effe normaal juf. Uitgeverij Van Gennep, ƒ29,90