`Sophietje' was niet hip

Sophie van Kleef: ,,Mijn vriend en ik hadden een huisje in Friesland. Op een dag sloeg ik de krant open en zag een advertentie van een schitterend mooi gebouw! Een voormalige katholieke kerk in een futuristisch stijl uit de jaren zestig. Het bleek dat het vlakbij was. In 1991 heb ik het gekocht. Ik viel ervoor.

De eerste paar jaar ging het wel goed. Ik had grote opdrachten. Mijn ideaal was een eigen galerie. Ik dacht: het hoeft niet winstgevend te zijn, als ik er maar van kan leven, dan ga ik zelf ook schilderen of fotograferen. Bij de opening kwamen vierhonderd mensen, maar daarna heb ik bijna niemand meer gezien. Men komt niet zo gauw naar hier. En toen kwamen er geen opdrachten meer. De vaste lasten waren zo hoog. Alsof je op een heel mooi schip zit en je kan niet varen. Ik heb bij de provincie en bij de gemeente om steun aangeklopt, maar vergeefs.

Ja, en dan moet je het verkopen hè?

Ik ben geboren en opgegroeid in Den Haag. Ik was al lid van de Haagse Jazzclub toen ik vijftien was. Ik las boeken over existentialisme en zo. Als ik iets niet begreep, dan sloeg ik gewoon een paar bladzijden over!

Ik wilde altijd al naar de kunstacademie om mode te gaan doen. `De Academie?', zei mijn vader, `bij dat kunstenaarstuig?' Op een gegeven moment mocht het, als ik eerst maar mijn diploma haalde. Daarvoor heb ik me echt uit de naad gewerkt. Toen ik mijn diploma had, mocht ik ineens toch weer niet naar de academie. Ik stortte helemaal in.

Ik had goed contact met mijn leraar Nederlands. Ik had het met hem altijd over de modeontwerper Dick Holthaus, die in die jaren toonaangevend was, en over vormgeving. Die leraar zei: `Dan schrijf je Dick Holthaus een brief of je niet bij hem in de leer kan.' Ik stuurde een brief, tekeningen en foto's waarop ik poseerde met jurken die ik had ontworpen en gemaakt. Ik kon onmiddellijk komen.

Ik naar Amsterdam. Dick zette me ook in als mannequin. Dat waren in die tijd van die flinke, wat oudere types. Maar ik deed het heel spontaan, zonder van die aangeleerde maniertjes. Dat was een klapper! Dick had een goeie neus voor publiciteit en zo stond ik ineens op alle voorpagina's. Paul Huf maakte foto's en ik bleek fotogeniek. Vervolgens ben ik jarenlang fotomodel geweest en heb de hele wereld rondgereisd. Fotomodel was in die tijd nog een leuk beroep. Er waren geen stylisten bij en geen visagisten. Je had het model en de fotograaf, je moest het allemaal zelf doen.

Inmiddels was ik getrouwd, maar dat huwelijk liep op de klippen. Noodgedwongen ging ik een poosje bij mijn moeder wonen. Toen zat ik weer in Den Haag en daar ontmoette ik John.

John was `Johnny Lion.' De zanger van de Jumping Jewels. We werden zo ontzettend verliefd. Maar ik had nog steeds dat ideaal in mijn hoofd: modecollecties maken. John en ik besloten een boetiek te beginnen. `Maar dan alleen in Amsterdam', zei ik. In 1966 begonnen we met `Sophie en Johnny' in de Oude Leliestraat.

Ik heb me in de eerste jaren laten inspireren door wat er in Londen gebeurde en door Jugendstil. Van die uitbundige kleurige vormen. Het leuke van die periode was de persoonlijke vrijheid. Je ging bepaalde kleding dragen, omdat je jezelf wilde zijn.

`Sophie en Johnny' is heel speels begonnen. Toen we open gingen was de Spencer Davis Group toevallig een paar dagen voor een optreden in Amsterdam en die traden heel spontaan in de zaak op. Sonny en Cher kwamen op een dag de boetiek binnen. Ik had niet zoveel keus, er lagen altijd maar dertig kledingstukken. Cher vond alles leuk, die heeft zo'n twintig dingen gekocht. De volgende dag zag ik het restant en dacht: eigenlijk jammer dat ze zoveel heeft meegenomen.

Bij Phonogram had John een contract dat-ie per jaar één Nederlandse plaat moest opnemen. Toen hebben ze `Sophietje' bekokstoofd. Ik weet nog dat ik terugkwam uit New York, John kwam me afhalen en zei: `Raad eens: `Sophietje' staat nummer een!'

Het heeft hem een enorme bekendheid gegeven, maar hij heeft het er wel moeilijk mee gehad. Hij wilde natuurlijk met iets heel anders beroemd worden. Door de hippe pers werd het afgekraakt. `Zij dronk ranja met een rietje, mijn Sophietje', dat was niet `cool', natuurlijk.

Ik heb het nooit als vervelend ervaren. Wel heb ik heel vaak in kroegen een glas ranja aangeboden gekregen. Met een rietje. Ik reageerde altijd alsof ik het iedere dag dronk!

Het succes van `Sophietje' betekende wel dat er ineens serieus over onze boetiek werd geschreven door de dames moderecensenten. Als dat liedje niet zo'n grote hit was geweest, dan was er niet zo'n enthousiasme voor de boetiek ontstaan. Een stroomversnelling. Ik kleedde zangeressen als Karin Kent en Linda van Dyck. Voor de Golden Earrings maakte ik jasjes van gobelin. Op zaterdag stond er een lange rij voor de winkel van moeders met hun dochters van vijftien, zestien die nog niet alleen naar een boetiek mochten.

`Sophie en Johnny' heeft bestaan tot 1970. Toen ging het mis in de relatie tussen John en mij. Er werden zakelijk fouten gemaakt. Ik dacht dat ik mensenkennis had maar met fabrikanten ben ik er flink ingestonken. John kreeg een heel moeilijke periode. Zijn optredens werden minder en minder. Ik ben naar Parijs gegaan. Daarna ben ik in opdracht gaan werken voor grote merken.

Ik heb altijd naamsbekendheid gehouden. Vaak kom ik nog mensen tegen, laatst nog in de trein: `Weet u dat ik nog steeds een jurk van u bezit?' De materialen waren goed. Tijdloos.

Ik heb nog steeds contact met John. Je hoort `Sophietje' nog wel eens op de radio. John draagt het waarschijnlijk zijn hele leven met zich mee. Hij kan er nu eindelijk trots op zijn.

Het is nu acht jaar geleden dat ik het huis heb verkocht. Ik ben er nog net niet met schulden van afgekomen. Ik wilde weg, ver weg! Ik vond dat ik gefaald had. Maar vorig jaar besloot ik: ik blijf hier, op het platteland. Je hoort hier niets, alleen het geluid van de wind en de vogels. Als je de velden inloopt, zie je een landschap, zo ruim... Ik heb geen heimwee naar Amsterdam.''