Studentencorps

In een brief in deze krant van 24 oktober wordt de beslissing van de Erasmus Universiteit om haar erkenning van het Rotterdamse Studenten Corps in te trekken als benepen gekwalificeerd. Niemand ontkent de vormende waarde van het corps, maar ze hebben niet het monopolie op de vorming van studenten. Ook andere verenigingen op een algemene, thematische of een confessionele grondslag dragen bij aan de persoonlijke ontwikkeling en ontplooiing van studenten, en dit vaak in een sfeer van gelijkwaardigheid en wederzijdse tolerantie.

De vraag of de erkenning voor het Rotterdamse Corps terecht is ingetrokken gaat verder. Het gaat om een cultuur in studentenverenigingen die excessen systematisch uitlokt. Het gaat er ook om of universiteiten verenigingen moeten erkennen die mores hebben die discriminerend zijn naar leeftijd en/of geslacht. Het gaat om gebezigde bewoordingen waarvoor de leider van de Centrumpartij voor de rechter moet verschijnen, waar gedragingen plaatsvinden die in elke andere organisatie zouden leiden tot ophef in de ondernemingsraad. Het gaat er om of verenigingen erkend moeten worden waarbinnen de democratie slechts op papier bestaat, waar de feitelijke besluitvorming informeel is, benoemingen plaatsvinden op basis van vriendjespolitiek en waar bij elk exces wordt verwezen naar een voor buitenstaanders volstrekt ondoorzichtig intern tuchtrecht.

Deze aspecten werpen een licht op de kwaliteit van onze democratie. Studentenverenigingen zijn immers vaak een leerschool voor onze bestuurlijke elite. Ze leggen de basis voor een cultuur waarin raden van commissarissen in een ons-kent-ons-sfeer worden samengesteld, waar achterkamertjespolitiek gemeengoed is en de ledenvergadering een lastige formaliteit is, en waar regenten de vuile was binnenshuis wassen. Het zou een goede zaak zijn als nu de aanzet wordt gegeven voor een breder debat over de functie van studentenverenigingen. Het gaat niet om excessen, maar over het aanleren van een democratische cultuur.