`Kennelijk was er afstemming'

Uit het nu publiek gemaakte rapport van ECD blijkt dat de oliemaatschappijen de afschaffing van de selfservicekorting voor het publiek bewust geheim hielden.

Het proces-verbaal van de economische controledienst (ECD) over prijsafspraken van oliemaatschappijen, dat minister Korthals van Justitie geheim wil houden, is sinds vanochtend te lezen op de website van de Volkskrant. Hierin formuleren de ambtenaren van de ECD drie gevallen van prijsafspraken tussen oliemaatschappijen onderling en afspraken met de BOVAG, de belangenbehartiger van de autobranche.

In de eerste plaats zijn daar de zogeheten BOVAG-marges. De oliemaatschappijen brachten in 1996 en 1997 de pomphouders dezelfde marge in rekening: 10,65 cent voor een liter benzine en 7,75 cent voor een liter diesel. Deze marges werden ,,kennelijk geheel zelfstandig en zonder overleg met derden genomen'', staat in het proces-verbaal. Maar over deze marges werd tussen de BOVAG en de oliemaatschappijen wel overleg gepleegd en de oliemaatschappijen waren aanwezig bij de ledenvergaderingen van de BOVAG waar de hoogte van de marges werd besproken. De marges van de oliemaatschappijen kwamen overeen met de door BOVAG gepubliceerde marges.

Het waren `standaardmarges', in de markt ook wel BOVAG-marges genoemd, een begrip dat dateert uit de tijd dat het ministerie van Economische Zaken over zulke marges met de BOVAG onderhandelde en EZ nog een maximumprijssysteem toepaste (in 1982 afgeschaft).

De ECD zegt over deze marges: ,,Kennelijk is er afstemming geweest van onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen BOVAG, BP, Esso, Fina, Kuwait [Oil], Shell, Texaco (...) en is er bij de betreffende oliemaatschappijen kennelijk sprake geweest van een beperking in de vrijheid om prijzen vast te stellen bij het verkopen van motorbrandstoffen, zoals Euro 95 en diesel, aan pomphouders (...)''. Daarbij verwijst de ECD naar de Wet Economische Mededinging die zulke gedragingen en inperkingen van vrijheid verbiedt.

Ook bij de kortingen die de oliemaatschappijen de pomphouders gaven om ze te steunen ,,in tijden van prijsconcurrentie'' was er volgens de ECD ,,kennelijk grote mate van overeenstemming'' tussen de oliemaatschappijen.

Meest saillante voorbeeld lijkt de afschaffing van de korting voor selfservice. Hierbij worden in het proces-verbaal de meeste documenten geciteerd. De meeste daarvan zijn gevonden bij een huiszoeking bij een consultancybedrijf in Barendrecht, dat de belangen behartigde voor autobedrijf Tesselaar BV.

In die documenten staan de `hardste' uitspraken over feitelijke afstemming – al is uit het proces-verbaal niet altijd op te maken wie welke brief schrijft. In twee etappes, in 1992 en 1995 werd de korting voor zelftankbenzine en diesel afgeschaft. Op of omstreeks 15 januari 1992 ging de door de oliemaatschappijen geadviseerde korting van 6 naar 3 cent per liter omlaag. Op of omstreeks 1 april 1995 werd ook die laatste 3 cent afgeschaft. Tegelijkertijd verlaagden de grote oliemaatschappijen de prijzen, zonder daarvan uitgebreid kond te doen, zoals gebruikelijk. In een brief namens Tesselaar bv schrijft de consultant: ,,Deze prijswijziging wordt in afwijking van de normale procedure niet via de media openbaar gemaakt (...) Voor het publiek verandert er optisch immers niets''.

Uit een andere brief blijkt dat de winst van de afschaffing van de korting door de oliemaatschappijen en de pomphouder wordt gedeeld. ,,Deze zoveel mogelijk buiten de publiciteit gehouden aktie leidde ertoe dat het margetraject voor levering aan de zelfbedieningspompen er met ƒ2,54 c.q. ƒ2,53 op vooruitging, welke margevergroting fifty fifty werd verdeeld tussen de oliemaatschappijen en de wederverkopers met zelfbediening.''

Uit verschillende brieven die bij het proces-verbaal zijn gevoegd, blijkt dat de betrokken partijen zich wel bewust waren van de noodzaak van geheimhouding van deze actie. In een brief van 7 september 1995 staat het zo: ,,Bovendien ben ik van mening dat de aardolie-industrie niet zit te wachten op een procedure, waarin vele, alleen aan insiders bekende facetten van de prijsvorming van aardolieprodukten in het algemeen en die van rond eind maart/ begin april 1995 in het bijzonder, in het openbaar behandeld zouden worden.''

Op 4 december van datzelfde jaar staat in een brief, kennelijk van de consultant aan de oliemaatschappij BP Nederland BV: ,,Verder kan ik me in het kader van de bestaande wetgeving ten aanzien van mededinging nauwelijks voorstelen dat de belangen van de olieindustrie in het algemeen gebaat zouden zijn bij een (openbare) procedure over een zo delicate kwestie als de `geregisseerde' intrekking van de selfservicekortingen per 15 janari 1992 en eind maart/ begin april 1995. Juist vanwege dat laatste aspect bracht ik met mijn (telefax)brief van 30 november j.l. ten overvloede uw circulaires van 15 januari 1992 en 28 maart 1995 nog eens onder uw aandacht. Met name de 2e alinea van eerstgenoemde circulaire is in dit verband uitermate compromitterend.''

Volgens de ECD moet de BOVAG ,,kennelijk betrokken geweest zijn bij de gang van zaken rond de afschaffing van de selfservicekortingen in 1995''. Zij halen ten bewijze verschillende bronnen aan, zoals een interne notitie van Shell, waarin de maatschappij stelt dat zij `tegemoetgekomen' zijn `aan de wensen van de BOVAG'. En een brief van de BOVAG van 23 maart 1995, waarin onder meer is vermeld: ,,De BOVAG afdeling tankstations is sinds vorig jaar in bespreking met de oliemaatschappijen om de zelftankkortingen af te schaffen. (...) De BOVAG heeft met alle inspanningen zijn doel bereikt. (...) Een enorm succes voor de branche dankzij de BOVAG.''