AL DOENDE LEREN

Ooit was de praktische opdracht het vlaggenschip van het studiehuis. Nu wordt hij weggemoffeld. Want te zwaar. Doodzonde, vind Rob Knoppert.

Een paar jaar geleden alweer ontdekten Wies en Eva, twee van mijn leerlingen in 4 vwo, tot mijn verbazing dat menselijk hoofdhaar voldoet aan de Wet van Hooke: de uitrekking van hoofdhaar is evenredig met de trekkracht, je reinste serendipiteit bij dit door hun verzonnen onderzoek naar de sterkte van hoofdhaar. Ik liet deze klas experimenteren als voorbereiding op het EXO in de examenklas. Het EXO, het open experimenteel onderzoek, was tot de invoering van de vernieuwde tweede fase onderdeel van het natuurkunde-examenprogramma.

Het EXO was één van de voorlopers van de praktische opdracht in het Studiehuis, de vernieuwde tweede fase van het havo en vwo. Vakken als bijvoorbeeld geschiedenis en maatschappijleer hobben ook zo'n traditie van zelfstandig te maken studies. De praktische opdracht is nu verplicht onderdeel van het examenprogramma van zowat alle vakken in het Studiehuis, behalve de talen.

De `praktische opdracht' vormt sinds 1995 een sleutelbegrip in de didactische vernieuwing van het Studiehuis, in de hoogste klassen van het voortgezet onderwijs. Maar de praktische opdracht, die leerlingen te veel tijd zou kosten, was ook aanleiding voor een leerlingenstaking en een demonstratie op het Malieveld vorig jaar. Staatssecretaris Karin Adelmund greep toen in en de praktische opdracht dreigt nu weer te verdwijnen. Dat zou doodzonde zijn.

In het begin van de negentiger jaren was iedereen het erover eens dat het voortgezet onderwijs zwaarder moest worden. Want dan zou de aansluiting met hbo en wo minder problemen geven. De studielast voor de gemiddelde leerling werd op 1600 uur per jaar gesteld, 25 procent meer dan het oude programma. Voor alle vakken werden nieuwe examenprogramma's opgesteld, een ingrijpende operatie. En toen deze programma's eind '96 klaar waren, stapelde de Commissie Ginjaar (de Stuurgroep Tweede Fase) bovenop deze zware programma's de praktische opdracht en het profielwerkstuk, een afsluitende praktische opdracht voor twee vakken.

VAARDIGHEDEN

De praktische opdracht en het profielwerkstuk waren bedoeld als toetsing van vaardigheden en zelfstandig werken. Het idee kwam van het CITO, het Centraal Instituut voor Toets Onderzoek. De praktische opdracht kreeg een belangrijke status. Het cijfer voor de praktische opdrachten zou bij de meeste vakken 60 procent van het schoolexamencijfer bepalen, en dus 30 procent van het eindcijfer.

Het is achteraf gezien verbazingwekkend dat gedurende tien jaar sleutelen aan het Studiehuis niemand twijfelde over de verzwaring van het onderwijsprogramma. Maar toen de invoering van het Studiehuis dichterbij kwam voelde het ministerie van onderwijs nattigheid. Het gewicht van de praktische opdrachten werd teruggebracht tot 40 procent. Bij de landelijke invoering van het Studiehuis kwamen er protesten. In december '99 was er een korte leerlingenstaking en een protestbijeenkomst op het Malieveld in Den Haag. Staatssecretaris Adelmund beloofde de leerlingen verlichting. Ze bracht onder meer het gewicht van de praktische opdracht nog verder terug, tot 20 procent van het schoolexamen. Officieel is dit nog steeds een tijdelijke maatregel.

Het is begrijpelijk dat de leerlingen protesteerden. Het is ook logisch dat het ministerie juist in de praktische opdrachten schrapte. Praktische opdrachten kosten de leerlingen heel wat studietijd. Moeizaam gesteggel over leerinhouden bij het schrappen van examenonderdelen was niet nodig. Praktische opdrachten waren nieuwlichterij. Bij onrust over vernieuwing is het gebruikelijk om juist in het nieuwe te schrappen. En er was nog een ander argument: in de vakken waar de werkvorm van de praktische opdracht onbekend was wisten veel docenten zich geen raad. Wiskundedocenten bijvoorbeeld geven al generaties lang hun leerlingen sommetjes. Zij hadden geen idee hoe een praktische opdracht er voor hun vak uit zou moeten zien.

En toch is het jammer, deze reductie. De praktische opdracht (en in het kielzog ervan het profielwerkstuk) is misschien wel de belangrijkste vernieuwing in het voortgezet onderwijs sinds vele jaren. Niet het idee is nieuw. Het vernieuwende is dat er nu een omschrijving bestaat voor deze algemeen toepasbare onderwijsvorm en dat deze onderwijsvorm verplicht wordt. De praktische opdracht geeft ander maar vooral ook beter onderwijs. Dat weten vooral de leraren die er in de klas mee hebben gewerkt. Zij weten ook dat de belangrijkste functie van de praktische opdracht niet het toetsen is, maar het leren.

De mens leert niet door te lezen en te luisteren alleen. Kennis moet actief toegepast worden om te beklijven. Dat weet iedereen die heeft leren auto rijden of Engels spreekt. Dat weet iedereen die ooit op school titreerde of een elektrische hotelschakeling bouwde. Al doende leert men. De praktische opdracht beoogt dit soort leren. Daarbij leidt de praktische opdracht ertoe dat de leerling een product maakt. Dat product kan natuurlijk beoordeeld worden en zo is er wel degelijk ook sprake van toetsing.

gemotiveerd

Het maken van een product motiveert de leerlingen. Dat doet ook het zelfstandig werken aan de opdracht en de mogelijkheid creativiteit te gebruiken. De motivatie kan de leraar versteld doen staan. Soms moet hij de leerlingen vriendelijk doch dringend verzoeken het lokaal te verlaten. Daarin verschilt de praktische opdracht fundamenteel van opdrachten, zoals de vragen bij paragrafen in geschiedenis- en aardrijkskundeboek, de sommetjes bij wiskunde en economie, de thema's bij Frans en Engels en de practica bij natuur- en scheikunde.

Hoe is nu uit te leggen wat een praktische opdracht is? Er zijn voorbeelden, zie kader, maar er is ook een gemeenschappelijke eigenschap die alle praktische opdrachten delen: de praktische opdracht leidt tot een resultaat dat leraar en leerling van tevoren niet kennen. De antwoorden zijn niet op te zoeken in een boekje.

Werken met praktische opdrachten leidt tot ander onderwijs. De klas bestaat niet langer uit 4 of 6 rijen luisteraars of schrijvers maar uit een chaos van individuele werkers en groepjes met elkaar pratende kinderen. Het lijkt een verlies aan controle en dat vinden sommige docenten, die niet eerder met deze werkvormen hebben gewerkt, bedreigend.

ZUCHT

Vanwege de reductie tot 20 procent van het schoolexamen cijfer slaat de ene docent met spijt, de ander met een zucht van verlichting de praktische opdrachten in de nieuwe, dure schoolboeken voor de tweede fase over. De reductie is een tijdelijke maatregel, geldend voor de leerlingen die dit jaar en komend jaar, in 2001 dus, in 4 havo of 4 vwo starten. Daarna zou het wegingspercentage weer moeten stijgen tot 40 procent. Sommigen hopen dat de reductie definitief wordt. De examenprogramma's zijn immers zwaar.

Als zij wezenlijke onderwijsverbetering wil, moet de staatssecretaris de opwaardering van de praktische opdrachten door laten gaan. Maar dan is nodig te snoeien in de examenprogramma's, desnoods via tijdelijke maatregelen. De staatssecretaris zou er op toe moeten zien dat de praktische opdrachten weer meer gewicht krijgen. Dat zal leiden tot een feitelijke modernisering van het onderwijs vergelijkbaar met die in het tertiair onderwijs, tot verbetering van het secundair onderwijs.