Peuters die de wanhoop met zich meedragen

Dat kinderen in vroeger eeuwen als kleine volwassenen werden beschouwd is niet waar. Maar op de kinderportretten in het Frans Halsmuseum zijn wel veel uitgebluste gezichtjes te zien.

Het bekendste Nederlandse kinderportret uit de zeventiende eeuw is Rembrandts portret van zijn zoontje Titus, die zittend aan een lessenaar peinzend over een stapeltje volgeschreven papieren staart. Op de tentoonstelling Het kinderportret in de Nederlanden, 1500-1700 in het Haarlemse Frans Halsmuseum is het Portret van Titus (1655), zoals het sinds jaar en dag heet, bewust weggelaten. De afbeelding van Titus is volgens de samenstellers van de expositie namelijk geen portret. Het is een `studiekop van een kind' en naar de `huidige wetenschappelijke maatstaven' zou Jongenstronie de `enig correcte titel' zijn.

En waarom is het Portret van Titus geen portret? Omdat Rembrandt nu eenmaal geen kinderportretten schilderde. Misschien was het hem te min. In de hiërarchie van schilderkunstige genres stond het portret in de zeventiende eeuw op de laagste plaats en het kinderportret had al helemaal geen aanzien. Aldus, in het kort, de uitleg in de catalogus.

In de tentoonstelling zijn alleen echte kinderportretten opgenomen: schilderijen die bedoeld waren om de gelaatstrekken van een bepaald kind vast te leggen. Meestal werden ze in opdracht gemaakt, soms op eigen initiatief van de schilder, bijvoorbeeld als het zijn eigen kinderen waren.

Maar Titus was toch de zoon van Rembrandt? Op het schilderij zijn de gelaatstrekken van dit specifieke jongetje duidelijk weergegeven, het is geen cliché-kinderkopje. Zelfs al zou het niet Titus zijn – want dat is niet helemaal zeker – maar een ander kind uit Rembrandts omgeving, dan nog heeft hij onmiskenbaar één bepaald kind willen afbeelden.

Uit het feit dat Rembrandt geen opdrachten aannam voor het maken van kinderportretten kun je niet afleiden dat hij dus nooit een kind heeft geportretteerd.

Het is begrijpelijk dat de samenstellers van de expositie het begrip `kinderportret' duidelijk wilden afbakenen, ze wilden tenslotte geen tentoonstelling maken van `het kind in de kunst'. Maar de afwijzing van Titus lijkt overdreven. Zeker als je kijkt naar een schilderij van Rubens dat wel in de expositie is opgenomen. Dit paneeltje, getiteld Het kind met de vogel (1624), toont een klein kind, spelend met een distelvink. Misschien is het Rubens' zoontje Philip, maar het kinderkopje met bolle toet en blonde krullen heeft meer weg van een cherubijntje dan van een aardse peuter. Ik was dan ook niet verbaasd toen ik las dat er oorspronkelijk een paar vleugels aan de schouders van het kindje waren geschilderd.

De 85 schilderijen die nu in het Frans Halsmuseum bijeen zijn gebracht tonen meestal adellijke of welgestelde kinderen uit de Noordelijke en Zuidelijk Nederlanden uit de periode 1500 tot 1700, toen dit genre hier tot bloei kwam. Er zijn een paar familieportretten en ook een paar schilderijen waarop een volwassene met kind is afgebeeld, maar op de meeste doeken is één enkel kind te zien, altijd jonger dan 14 jaar. Soms is het een gestorven kind, geportretteerd op zijn doodsbedje, of een kindje dat doodgeboren is en nooit het levenslicht heeft gezien. De eerste `post mortem'-portretten van kinderen werden in de 16de eeuw in Vlaanderen gemaakt. Maar de dertig die van dit genre bewaard zijn gebleven komen bijna allemaal uit de Noordelijke Nederlanden en stammen uit de 17de eeuw. Zo schilderde Bartholomeus van der Helst in 1645 een Jongetje op zijn doodsbed. Het is nog een baby, die met een bleek, sereen gezichtje, in een wit hemd op een bedje van stro ligt, met aan zijn voeten als symbool van de dood een uitgebrande fakkel.

In de 17de eeuw was de kindersterfte nog schrikbarend hoog: meer dan de helft van de kinderen bereikte de 18 jaar niet en van hen stierf zo'n tachtig procent zelfs jonger dan vijf jaar. De kindersterfte is in 1638 aangrijpend in beeld gebracht door een anonieme Enkhuizer schilder die een vader en moeder met hun elf kinderen portretteerde. Twee kinderen, een jongen en een meisje, staan achter drie wiegen waarin negen dode broertjes en zusjes liggen. Vanonder hun witte, kanten mutsjes kijken drie dode kinderen ons met open ogen aan, ten teken dat zij nog even hebben geleefd, van de andere zes zijn de ogen gesloten. Het meest navrante van dit schilderij is het gezicht van de moeder. Er ligt geen droevige uitdrukking op, het toont geen smart - haar blik is uitgedoofd, er kan geen leed meer bij.

Levensmoe

De portretten van levende kinderen zijn weliswaar niet zo huiveringwekkend, maar het is opvallend dat ook deze schilderijen vaak geen sfeer van jong en zorgeloos geluk, van een onbekommerde jeugd uitstralen. Integendeel. Terwijl ik door de tentoonstelling liep, kreeg ik steeds meer medelijden met al die weelderig uitgedoste, ten voeten uit geschilderde, rijke en welopgevoede kleintjes uit de 16de en 17de eeuw. Ik zag peuters die de wanhoop met zich meedragen, ouwelijke besjes van hooguit drie, stijf aangeklede ledepopjes met een levensmoede uitdrukking in hun ogen, als herderinnetje verklede kleuters die er in hun kleurige kostuumpje bijstaan of ze zojuist een draai om hun oren hebben gehad en ook een door Jacob Gerritsz. Cuyp geportretteerd vierjarig meisje, met wallen onder haar ogen, dat net van een huilbui lijkt te zijn bekomen.

Vanwaar al die uitgebluste en angstige gezichtjes?

In de uitvoerige catalogus bij de tentoonstelling wordt afgerekend met het idee dat kinderen tot in de 18de eeuw als kleine volwassenen werden beschouwd. Net als nu mochten ze zich kinderlijk gedragen. Al lijkt hun kleding oppervlakkig bezien erg op de volwassen kleding uit die dagen, er waren toch verschillen en er waren in de 17de eeuw wel degelijk typisch kinderlijke kledingstukken zoals een schortje voor kleine meisjes. Ook waren er allerlei soorten speelgoed en kinderen waren dan ook even speels, stout of vertederend als nu.

Wie naar de schilderijen van Jan Steen kijkt, waarop altijd wel een paar deugnieten staan afgebeeld, of naar de vrolijke ventjes die Frans Hals schilderde, is geneigd dit te beamen. Maar uit de tentoonstelling komt een ander beeld naar voren. Als die iets duidelijk maakt, dan is het wel dat het kinderleven in de 16de en 17de eeuw niet over rozen ging. Veel portretten zijn doordesemd van de beroemde uitspraak van Jacob Cats: `Tucht baart vrucht'. Ze zijn beladen met symbolen die verwijzen naar een strenge opvoeding, naar discipline en deugdzaamheid, zoals gedresseerde honden, gebreidelde bokjes, of gesnoeide planten. Er bestonden nog geen keuze-pakketten in het onderwijs, maar wel strenge schoolmeesters met roedes en plakken, zoals Jan Steen ze heeft geschilderd. Al heel jong moesten kinderen Latijn leren, ze moesten bijbelteksten, gebeden en de Catechismus uit hun hoofd kennen en de `vreze Gods' werd er dagelijks ingeprent. Maar er is een nog belangrijker reden waarom het kinderleven van toen niet op één lijn gesteld kan worden met dat van nu, zoals de makers van deze expositie doen. Dat is de voortdurende nabijheid van de dood.

Bijna elk kind had wel een gestorven broertje, zusje, vader, moeder of vriendje. Kinderen gingen mee naar begrafenissen en de dood was, anders dan nu, een deel van hun leven. Op verschillende familieportretten zweven de gestorven kinderen boven de levende als engeltjes door de lucht.

Misschien gaat het inderdaad te ver om te zeggen dat kinderen toen als `kleine volwassenen' werden beschouwd, maar ze waren wel `vroegrijp', de ernst van het leven werd hun niet onthouden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ze op veel portretten zo diep-ernstig, zo droef en ouwelijk werden afgebeeld. Govaert Flinck schilderde in 1640 een portret van een Meisje bij een kinderstoel. Het meisje, van een jaar of twee, heeft een kinderlijk gezicht met grote ogen, roze wangen en een scherp kinnetje, maar het is nu al door het leven getekend. Die eigenaardige frictie tussen kinderlijke, prille trekken en een volwassen gelaatsuitdrukking, maar bijvoorbeeld ook tussen een kinderlichaampje en een volwassen pose, is kenmerkend voor veel van deze portretten.

Op de tentoonstelling zijn verschillende kinderen afgebeeld met speelgoed, zoals een tol, pop, stokpaardje, pijl en boog of rammelaar. Maar er wordt zelden mee gespeeld, meestal zijn het niet meer dan statussymbolen of kleurige toevoegingen aan een portret en doen ze niets af aan het serieuze karakter van de voorstelling.

Lieftallig

Het is opvallend dat juist bij de portretten waarop schilders hun eigen kroost weergaven er vaak wel iets kinderlijk-onbekommerds in ligt. Dat geldt bij uitstek voor de portretten van de Vlaamse schilder Cornelis de Vos (1584-1651). De Vos portretteerde tussen 1623 en 1635 een hele reeks kinderen, onder wie zijn dochters Magdalena en Susanna, en door zijn toedoen kwam het genre van levensgroot afgebeelde kinderen in Vlaanderen in de mode. Zijn schilderijen zijn allemaal even sprankelend, helder en verfijnd. Op het portret van zijn dochter Magdalena (1624) - dat het affiche van de tentoonstelling siert - is de `vreze Gods' ver te zoeken. Het meisje in haar rood-witte jurkje is precies zo snoezig en lieftallig als wij het in ons tijdsbestek graag willen zien. En ook haar zusje Susanna de Vos, dat in haar kinderstoel een koekje zit te verkruimelen, roept nu eens geen medelijden, maar vertedering op.

Bartholomeus van der Helst portretteerde een Jongen met paplepel in de hand (1643) die naakt en breeduit lachend zit te stralen op een kussen. En de Vlaming Jacob van Oost de Oudere gaf zijn zoontje Jacob de Jongere met bontmof en -muts zo poezelig weer dat dit portret de publiekslieveling van de Londense National Gallery werd.

In het Frans Halsmuseum zijn de kinderportretten gerangschikt naar thema's als Leren en Spelen, Dood en verdriet of Verkleedpartijen. Ook bij die laatste categorie, waar kinderen als herderinnetjes in Arcadië, als kleine veldheren en jagertjes zijn afgebeeld, is de sfeer wat speelser en vrolijker dan op de veel stijvere `gewone' portretten van welopgevoede, godvruchtige en leergierige kindertjes - hoe mooi en ontroerend die portretten vaak ook zijn.

Door de thematische rangschikking is de ontwikkeling van het kinderportret in de 16de en 17de eeuw, van een streng-formele voorstelling naar levendiger composities waarin het kind meer van zichzelf laat zien, moeilijk te volgen. Maar die ontwikkeling is op deze tentoonstelling niet het voornaamste. Als geheel roept de expositie een beeld op van een heel andere kindertijd dan de onze – een onvergetelijk beeld.

Kinderen op hun mooist. Het kinderportret in de Nederlanden 1500-1700. 7 okt. t/m 31 dec. in het Frans halsmuseum in haarlem. Ma t/m za 11-17 u., zo 12-17 u. 21 jan. t/m 22 april 2001 Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen. De catalogus, 319 blz., kost f59,50

Bijna elk kind had een gestorven broertje, zusje, vriendje