Het chagrijn van de winnaar

Weinig voetballers kunnen zo chagrijnig kijken als Frank de Boer. Zeker na een nederlaag staat in zijn ogen een vernietigende blik. Dan deugt er niets meer aan het leven. Dan zijn niet alleen de scheidsrechter, de tegenstanders en zelfs zijn medespelers maar ook hijzelf zijn vijanden. Dan ergert hij zich nog meer dan hij doorgaans al doet, dan is hij in staat om bij thuiskomst de huisraad kort en klein te slaan. Zoveel pijn en verdriet doen verlies hem.

Frank de Boer wil winnen, want alleen wanneer hij wint is zijn leven het waard geleefd te worden. Frank de Boer heeft daarom ook al heel veel gewonnen. Wanneer hij niet zoveel had gewonnen, was hij allang gestopt met voetballen. Nu het winnen hem wat minder goed afgaat, zou voor hem eigenlijk het moment gekomen moeten zijn om zich te bezinnen over een afscheid. Geen vervelender ervaring voor een voetballer als Frank de Boer dan niet meer kunnen winnen – of gewoon de grootste vijand van zichzelf te worden.

De stilist met de perfecte trap, de fraaie koptechniek en het fenomenale inzicht is al enige maanden op zijn retour. De actie-radius van de vrije verdediger heeft bedenkelijke kleine afmetingen gekregen, zijn loopsnelheid is niet meer die van een topvoetballer en zijn handelingssnelheid begint vormen aan te nemen van die van een voetbalveteraan. Niemand die het Frank de Boer durft te zeggen, niemand die hem durft te confronteren met de slijtageverschijnselen. Medespelers zeggen het niet, omdat ze bang zijn voor een uitbrander van de humeurige kampioen van weleer. De trainers (zoals Van Gaal) zeggen het niet omdat ze verblind door vriendschap en bewondering menen dat hij nog altijd een kampioen is. Ronald de Boer zegt het natuurlijk ook niet, want die houdt zijn rivaliserende tweelingbroer liever te vriend.

Wie zegt dan wel dat recordinternational Frank de Boer in Oranje binnen afzienbare tijd zijn plaats zou moeten afstaan? Niemand. Niemand zal het hem zeggen, niemand zal hem in bescherming willen nemen, niemand wil hem beschermen tegen de steeds groter worden nederlagen en teleurstellingen in het Nederlands elftal. Zoals hij op het EK van dit jaar op zijn elfendertigst stond te verdedigen en routineus maar tergend langzaam aanvallen probeerden op te bouwen, zoals hij tegen Portugal stond te schutteren als een overjarige vedette, dat schreeuwt om vervanging. Zoals hij daar bijna in stilstand zijn medespelers aanvuurt, zoals hij daar de scheidsrechter staat uit te foeteren en zoals hij steeds meer begint te zeuren over de onrechtvaardigheid van het voetbalspel, dat werkt allerminst stimulerend – voor medespeler noch supporter.

Wanneer ik nog de moeite neem om de televisie aan te zetten voor een wedstrijd van het Nederlands elftal, wordt me meteen alle lust om verder te kijken ontnomen zodra ik zie dat Frank de Boer staat opgesteld. De momenten dat hij nog een fraaie pass geeft, op techniek verdedigt en een vrije trap (bijna) in de bovenhoek krult, worden steeds schaarser. Hem nog zien voetballen ontneemt het plezier dat een voetbalwedstrijd nog weleens geeft. En dan na afloop met die chagrijnige blik voor de tv-camera anderen de schuld te geven, dat doet elke tv-kijker onmiddellijk zijn gezicht afwenden.

Met het afscheid van mooie Nederlandse voetbaltijden, nadert ook het afscheid van Frank de Boer. De manier waarop hij zichzelf en alle Nederlanders die Oranje een warm hart toedragen nog moed probeert in te spreken met het oog op kwalificatie voor het WK 2002, is vertederend. Ik gun hem nog wel één deelname aan een wereldtiteltoernooi, al is het alleen maar omdat hij zo lang zo'n mooie voetballer is geweest. Maar terend op successen van weleer blijven meehobbelen, is de grootste nederlaag die een voetballer als Frank de Boer zich kan wensen. Een winnaar die verliest is een loser.