Kim moet hoogste prijs nog krijgen

De Nobelprijs is een eerste erkenning voor Kim Dae-jung. Maar Koreaanse eenwording is de hoogste prijs, die nog veel inspanning zal vergen.

Het besluit om de Nobelprijs voor de vrede toe te kennen aan de 74-jarige Zuid-Koreaanse president Kim Dae-jung is ingegeven door een soortgelijke overweging als die welke het Nobelcomité er negen jaar geleden toe bracht om de Birmese oppositieleidster Aung San Suu Kyi te eren. Beiden hebben hun leven gewijd aan de strijd tegen dictatuur, aan het onvermoeid ijveren voor democratische veranderingen en voor het respecteren van mensenrechten. Er is een groot verschil: waar Aung San Suu Kyi nog steeds monddood wordt gehouden door de junta in Rangoon, slaagde Kim er in zich te nestelen op het pluche van de regeringsmacht. Op 25 februari 1998 werd hij beëdigd als zesde president van Zuid-Korea.

Het `zonneschijnbeleid' dat Kim sinds zijn aantreden heeft gevoerd, leidde afgelopen zomer tot een historische ontmoeting met zijn Noord-Koreaanse rivaal Kim Jong-il, maar nog niet tot een definitieve doorbraak.

Veel zal nog afhangen van de werkelijke intenties van de Noord-Koreaanse leider Kim — een man die is verguisd om zijn stalinistische beleid, maar die nu salonfähig is geworden en zelfs mogelijk een ontmoeting met de Amerikaanse president Clinton krijgt. Er is onmiskenbaar sprake van een snelle de-escalatie op het Koreaanse schiereiland, maar de uiteindelijke uitkomst is nog ongewis. Kennelijk wil het Nobelcomité dit keer niet op de zaken vooruitlopen door ook de Noord-Koreaanse Kim bij de prijsuitreiking te betrekken, zoals in 1994 toen de `vredespartners' in het Midden-Oosten, Arafat, Rabin en Peres, de prijs in ontvangst mochten nemen.

De naam van Kim Dae-jung is onlosmakelijk verbonden met het regime van repressie dat het naoorlogse Zuid-Korea lange tijd in zijn greep had, afwisseld onder leiding van dictatoriale generaals en corrupte presidenten. Kim heeft de onderdrukking aan den lijve ervaren. In 1973 klopten geheime agenten uit zijn vaderland op de deur van zijn hotelkamer in Tokio, waar hij in ballingschap verbleef. De mannen knevelden Kim en voerden hem per schip af richting Zuid-Korea. Hij zou ongetwijfeld in zee zijn geworpen indien de Amerikaanse CIA het regime in Seoul (toen onder leiding van president Park Chung Hee die in 1961 een militaire staatsgreep pleegde) niet had duidelijk gemaakt dat dat te ver ging. Kim eindigde met huisarrest in Seoul.

Toen Kim Dae-jung in december 1997 de verkiezingen won, en een andere oud-oppositieleider, Kim Young-sam, de loef afstak, werd in Seoul nauwelijk feest gevierd, maar wel in de zuidwestelijke stad Kwangju. Kwangju, dat Kim eert als een volksheld, was in 1980 het toneel van een volksopstand tegen de militaire dictatuur, waarbij de bevolking de autoriteiten uit de stad verdreef. Elitetroepen sloegen de opstand neer, waarbij honderden, mogelijk duizenden doden vielen. Wegens de opstand kreeg Kim Dae-jung de doodstraf, maar opnieuw onder Amerikaanse druk werd die straf nooit uitgevoerd en ging Kim in de VS in ballingschap.

Rivaliteit binnen de oppositie heeft verhinderd dat de huidige Nobelprijswinnaar niet al eerder, eind jaren tachtig toen de ontspanning in de Zuid-Koreaanse politiek begon, de eerste democratisch gekozen burgerpresident werd. Kim Dae-jung en Kim Young-sam konden het onderling niet eens worden, met als resultaat dat een derde, generaal Roh Tae-woo, in december 1987 met 37 procent van de stemmen de verkiezingen won. In 1982 stonden beide Kims weer tegenover elkaar en won Kim Young-sam.

Kim Dae-jung stapte uit de politiek, maar keerde toch terug. Zijn aanpak van de Aziatische financiële crisis, heeft hem internationaal veel krediet opgeleverd. Nog opmerkelijker is zijn toenadering tot het noorden. Hij noemt een toekomstige hereniging van Korea `de Tweede Bevrijding van onze natie', na de bevrijding van het Japanse kolonialisme.