De poëzie van zinloos geweld

Voor zijn nieuwe, 25ste roman Super-Cannes nam de Britse schrijver J.G. Ballard als achtergrond het gelijknamige, echt bestaande gebied even boven Cannes, waar een conglomeraat van hoogst exclusieve, hightech bedrijvenparken, snelwegen en appartementencomplexen hard op weg is het Europese Silicon Valley van de Côte d'Azur te worden. De ideale speelruimte voor een schrijver als Ballard (1930), die al een leven lang gefascineerd is door dystopieën, de gevolgen van technologische ontwikkelingen voor menselijke interactie en de manieren waarop beschermde, gesloten gemeenschappen kunnen ontaarden in gewelddadigheid en perversie.

Aan dit echt bestaande Super-Cannes voegde Ballard het fictieve `Eden-Olympia' toe, het perfecte kantorenpark van glas, staal, chroom en beton, aangelegd in een landschap van kunstmatige meren en bossen. Naar deze `suburb van het paradijs' komen Paul Sinclair, verteller van de roman, en zijn jonge vrouw Jane. Jane heeft er voor zes maanden een baan als kinderarts aangeboden gekregen, en Paul, die moet herstellen van een ernstig ongeluk met zijn sportvliegtuigje, geeft er graag tijdelijk zijn baan als uitgever voor op. Het pasgetrouwde stel denkt er in ieder geval een betere werkomgeving aan te treffen dan het groezelige ziekenhuis in Londen waar ze elkaar hadden ontmoet. Maar beiden weten ook dat ze in een Eden van na de zondeval terecht komen. Jane gaat er de plaats innemen van haar vroegere collega David Greenwood, die op een dag niet lang daarvoor in een aanval van waanzin tien mensen in Eden-Olympia doodschoot, en daarna de hand aan zichzelf sloeg.

In de eerste plaats is Super-Cannes dus te lezen als een thriller, één die belooft dat de verteller uiteindelijk zal ontdekken wat er achter de schijnbaar zinloze moordpartij stak. Maar meer nog is het Ballard te doen om Eden-Olympia zelf, als een metafoor voor de moderne samenleving, of de nachtmerrieachtige toekomst waar die samenleving binnen afzienbare tijd op afstevent. In Pauls eerste indruk van Eden-Olympia gaat de fysieke realiteit over in visioen en idee: `The faint mist over the lakes and the warm sun reflected from the glass curtain-walling seemed to generate an opal haze, as if the business park were a mirage, a virtual city conjured into the pine-scented air like a son-et-lumière vision of a new Versailles.' Het zakenconglomeraat van multinationals, biotechnologie-laboratoria, consultancy's en IT-ondernemingen als machtscentrum van een nieuwe wereldorde: het kan nauwelijks nog een toekomstvisioen genoemd worden. Maar Eden-Olympia gaat net een stapje verder.

Paul en Jane worden er rondgeleid door de psychiater van het complex. Deze Wilder Penrose, een man van tegen de veertig met het postuur van een bokser, is een van de fascinerendste personages van de roman. Bij Jane wekt hij associaties met een `minotaurus'. Paul noemt hem in de eerste alinea van de roman `onze beminnelijke Prospero'. De tovenaar Prospero was de heerser over zijn eigen eiland in Shakespeare's drama The Tempest, hetzelfde toneelstuk waarin de heldin verrukt-naïef uitroept: `O wonder! How many goodly creatures are there here! How beauteous mankind is! O brave new world, that has such people in `t!'. We zijn dus gewaarschuwd: met Wilder als Prospero kan Eden-Olympia niets anders zijn dan een `brave new world'. Maar in tegenstelling tot Aldous Huxleys versie van deze dystopie ligt Eden-Olympia griezelig dicht tegen de huidige samenleving aan.

Wilder blijkt een visionair die rotsvast gelooft in het ideeënlaboratorium voor het nieuwe millennium dat Eden-Olympia volgens hem is – de juichende brochure van het park is door hem geschreven. Tijdens zijn rondleiding vertelt hij enthousiast dat het kantoor nu het feitelijke thuis is geworden van de werkers – hun huizen zijn slechts plekken om bij te tanken voor het werk. De sportfaciliteiten en zwembaden worden nauwelijks gebruikt: werk is de ultieme ontspanning. Een winkelcentrum mag niet ontbreken, hoewel het er uitgestorven bijligt: `Shopping is the last folkloristic ritual that can help to build a community, along with traffic jams and airport queues'. Er is geen misdaad in Eden-Olympia, zegt Wilder, de bewakers staan er in feite voor de show bij. Maar wanneer hij een stel Afrikaanse straatverkopers op het terrein aantreft, belt hij snel om versterking, want het is irritant om herinnerd te worden aan de contingente wereld. Voor contingentie of toeval is geen plaats in Eden-Olympia.

Wilder heeft wel een verrassing voor het stel in petto: ze hebben het appartement van Greenwood toegewezen gekregen, de plek waar hij zich ook door het hoofd schoot. Terwijl Jane lange werkdagen maakt – niet als kinderarts, mensen in het park hebben immers helemaal geen kinderen, maar werkend aan een langdurig gezondheidsonderzoek onder alle bewoners – raakt Paul, die niets omhanden heeft, steeds meer geïntrigeerd door Greenwood en diens drijfveren. Al vroeg krijgt hij van verschillende kanten hints dat de officiële versie van de moordpartij niet de juiste is, en hij besluit, deels uit stierlijke verveling, om de ware toedracht te achterhalen.

Ballard weet subliem de subtiele dreiging weer te geven die uit kan gaan van luxe, perfect comfort en een stralende zon. De onrustige reflectie van het zonlicht in een zwembad, het permanente achtergrondgesis van de gazonsproeiers, de onafzienbare rijen lege, gloednieuwe auto's op de parkeerterreinen, de `wandelpaden' door het parkland die ophouden zodra ze niet meer zichtbaar zijn vanaf de weg, of uitkomen bij een elektriciteitscentrale: Eden-Olympia lijkt nergens zoveel op als op een filmset voor bewakingscamera's. En de sfeer van onderhuidse dreiging heeft minder te maken met de tragedie die zich er afspeelde, dan met de gemeenschap zelf. Die gemeenschap bestaat in feite niet eens. Er is nauwelijks contact tussen buren, er zijn geen conflicten die bemiddeling behoeven, er is geen politie of juridisch systeem. De multinationals maken hun eigen regels. Camera's hebben de burgerzin vervangen, en een puriteins arbeidsethos heeft de plaats ingenomen van het twintigste-eeuwse vrijetijdsideaal. Seks is iets wat de bewoners van het park zien op hun tv.

In zo'n laboratoriumexperiment valt uiteraard niet te leven: de bewoners van Eden-Olympia krijgen vroeg of laat last van chronische gezondheidsklachten. Maar Wilder heeft daar een probate therapie tegen: `a carefully metered violence, microdoses of madness'. Zijn `werkgroepen' bestaan uit knokploegen die zich bezig houden met gewelddadige racistische aanslagen in Cannes, verkrachtingen, pedofilie en andere seksuele perversies. Zinloos geweld is wellicht de ware poëzie van het nieuwe millennium, zegt de visionair er zelf over. Aanvankelijk raakt Paul, net als Greenwood voor hem, onder de indruk van Wilders machiavellistische wereldbeeld en zijn effectieve `therapie'. Maar wanneer hem Wilders politieke ambities duidelijk worden, ziet Paul zich steeds meer in Greenwoods voetsporen gedwongen.

Super-Cannes lijkt qua setting en onderwerp wel wat op Ballards vorige boek, Cocaine Nights (1996), maar gaat veel verder in de uitwerking van een consequent wereldbeeld, en is oneindig veel rijker aan ideeën. Super-Cannes is kortom de roman die dit jaar de Booker Prize zou moeten winnen. Dat dit beste werk in tijden van de 70-jarige meester niet eens op de shortlist staat, is een schandelijke omissie.

J.G. Ballard: Super-Cannes. Flamingo, 392 blz. ƒ70,85