Het leven van romanfiguren

`Het grootste publiek experiment na Big Brother' noemde Maarten Huygen in deze krant het goedverkopende boek van Els Hupkes, de vrouw van de moordenaar van Gerrit-Jan Heijn. Verschillende lezers protesteerden na het interview met mevrouw Hupkes dat in deze krant had gestaan. Ze vonden het ijdel, narcistisch en onbegrijpelijk. Dat was het allemaal zeker. Ik hoorde ook mensen zeggen dat ze het interview niet hadden willen lezen, maar desondanks er toch wel iets van gelezen hadden. Mij verging het ook ongeveer zo.

Wat is dat voor weerzin. Is het omdat je niets wilt weten van een vrouw die getrouwd was met een moordenaar? Of verpest ze het door niet te zeggen dat ze haar man nu verafschuwt? Is het weerzinwekkend dat iemand van een moordenaar houdt? Daar denk ik geloof ik ook niet zo over al komt daar meteen al een wat eigenaardig voorbehoud: het ligt eraan wát voor een moordenaar. Noodweer, wanhoop, oorlog, dat soort omstandigheden maken het heel anders dan dit koele plannen maken. De vraag is ook niet of wij lezers van Ferdi E. kunnen houden, dat kunnen we niet, willen we niet, hoeven we niet. Toch zouden we ons oprecht kunnen interesseren voor zijn vrouw. En dat doen we, althans sommigen van ons, degenen die protesteerden bijvoorbeeld, niet echt.

In de nieuwe, meesterlijke, roman van Gerrit Krol, De vitalist, leren we een man kennen die een moord pleegt en gewoon verder leeft tot zijn vrouw en vrienden achter zijn daad komen. De moordenaar is een intelligente, beetje jongensachtige man, een wat dromerige wiskundige. Hij knapt op van wat hij zelf, met aanhalingstekens `Barbara' noemt. Alsof hij verliefd is. ,,Dit is het verhaal van een renaissance.''

Niet dat hij geen weet heeft van zijn daad. Zeker wel. Maar zijn redeneringen, dat wat hij geweten noemt, dat zit allemaal wat eigenaardig in elkaar. Het zijn verwrongen bedenksels, rechtvaardigingen, gedachten over durf: `Durf te doden.' De moord op Barbara verandert steeds meer in een daad van liefde, de dode duikt op allerlei plekken op en alleen bij haar, met haar, heeft de moordenaar rust. Hij weet dat zij van hem houdt.

Moordenaar Johan is uiterst gecompliceerd, hij is jammerlijk, hij is, in een bepaald opzicht, gek, hij is ook heel gewoon. Hij lijdt in de gevangenis, hij lijdt nog meer als hij van vervolging wordt ontslagen.

En zijn vrouw. Die heeft een minnaar, al lang, hun huwelijk bestaat uit gesprekken. Goede gesprekken, dat wel, vooral sinds `Barbara'. En zij houdt van Johan. Ze is solidair, ze ziet iets dat de vrienden niet zien. Die zeggen op een dag dat ze geen prijs meer stellen op Johans gezelschap.

Alles in Krols roman is raadselachtig en verknoopt. De moordenaar treedt een heel ander universum binnen, ergens waar hij met God praat, die hij `Nederik' noemt, ergens waar hij weet dat er geen God is, of dat die er wel is maar per definitie onkenbaar en onbereikbaar. Hij zit er onder water de krant te lezen tegenover Barbara. Hij heeft er onmogelijke en dwingende gedachten over de straf die hij niet volhoudt, en over straf die hij zou moeten krijgen. Het is in het hoofd van Johan allemaal niet rond te krijgen.

De vitalist is een roman, niet een morele kwestie of een oordeel over moordenaars en hun straf. Het is een roman tjokvol gedachten die botsen en uit elkaar vliegen, het is een roman vol beeldschone zinnen, die keihard zijn maar waarachter een te zacht innerlijk schuilgaat. Als je van deze roman al iets op zou willen steken over de werkelijkheid, dan is dat niet op het niveau van straf en boete, maar dan gaat het precies over die onbegrijpelijke combinatie van wereld- en zelfbeelden die zich in een mens kunnen voordoen en over de onmogelijkheid uit deze knoop te komen. God helpt niet, de afwezigheid van God ook niet. Metafysica niet, de afwezigheid ervan ook niet. Psychologie idem. Misschien liefde, misschien is liefde weer het enige. Maar wat voor liefde?

Romanpersonages mogen dingen doen en denken die we van echte mensen niet zouden verdragen. De echte moordenaar mag niet denken dat zijn slachtoffer hem vergeven heeft, van hem houdt zelfs, en als hij het toch denkt, mag hij het niet zeggen en al zeker niet in het openbaar. De echte vrouw van de moordenaar mag hem niet zien als haar grote zoon, een vertederende jongen die eindelijk eens iets gedaan heeft dat is weerzinwekkend. In een roman niet. Daar is het begrijpelijk. Althans in deze roman en dat zal wel zijn dankzij zijn schrijver.

Het heeft dus geen zin deze roman naast het leven, of naast het boek over haar leven, van Els Hupkes te houden, want ze kan er niets uit leren. Hooguit dat ze in een situatie is verzeild geraakt waar geen uitweg aan is.

Hupkes is niet geïsoleerd in een boek, zij beweegt zich in dezelfde ruimte als de familie van het slachtoffer. Bij haar lot hoort dat zij er geen aandacht voor mag vragen, dat ze haar daden niet mag rechtvaardigen, haar liefde niet dat wil zeggen: niet in het openbaar. Haar leven moet privé zijn en haar grote vergissing, dat wat het allemaal zo stuitend maakt, is dat ze dat niet ziet. Bij Big Brother was het veronachtzamen van het verschil tussen privé en openbaar misschien een interessant experiment, hier is het onverdraaglijk.

Ze kan alleen bestaan als romanpersonage. En dan zou ze ook nog geschreven moeten worden door Gerrit Krol.