Blauwstaartparapluwezens

De kleine Sanja, ruim een jaar oud, zat in het vliegtuig, bij het raampje, keek naar buiten en zei: `bèèèèh'. Daarmee deed zij zonder het te weten twee dingen die dichters ook vaak doen. Zij maakte een vergelijking (metaforiek) en zij bracht een betrekking aan tussen een deel en het geheel (metonymia). De wolken buiten voor het vliegtuigraampje stelde zij, op grond van de wollig aandoende vacht ervan, gelijk aan schapen – en vervolgens noemde zij de er aldus bij geassocieerde dieren niet bij hun naam, maar bij het geluid dat ze voortbrengen. Dat laatste heet ook wel onomatopee. Vergelijk koekoek, kieviet, grutto en roepieroepievogel.

Dat is verrassend allemaal, althans voor een eenjarige. En grappig natuurlijk. En ook wel verbijsterend: de gedachte dat een eenjarige werkelijk denkt daar hoog in de lucht tussen de schapen te kunnen zitten. Maar in dichterlijk opzicht was haar uitspraak nog niet zo bijster origineel. De vergelijking tussen schapen en wolken is al wel eens eerder gemaakt, getuige alleen al het woord `schapenwolken'.

Origineler was haar vraag, enkele maanden later, toen ze haar vader het raampje van de auto zag opendraaien: of hij het raam `aan het opwinden' was. Omstreeks dezelfde tijd, toen ze haar vader in zijn gezicht blies, met een inmiddels verworven licht Rotterdams accent: `Ik gaat jouw neusharen föhnen.' Dat roept aardige bijgedachten op aan een door de industrie nog te ontwikkelen neushaarföhn, en daarnaast is het ook nog eens een mooi voorbeeld van een verschijnsel waar dichters wel om geprezen worden: het terugwinnen van de oorspronkelijke betekenis van een woord. De föhn, elektrische haardroger, is genoemd naar de warme, droge valwind van die naam, bekend uit de Alpen – een oorsprong die hier, ook al heeft ze er geen enkel benul van, door de blazende spreekster weer geactiveerd wordt.

Van dit soort onbewuste kinderpoëzie zijn tientallen voorbeelden te geven. Je hoort er wat schouderophalend over te doen, om je daarna weer aan de `echte', de serieuze grotemensenpoëzie te wijden. Zelf houd ik nogal van deze zuivere poëzie zonder enig effectbejag, kant en klaar overstromend uit een onbevangen, de wereld op een heel nieuwe manier in kaart brengend brein, of breintje. Er hangt de geest van lente en nieuwe geluiden omheen, van hebban olla vogala en experiment. In dit genre moet alles nog beginnen en is alles nog mogelijk, met alle overrompelingen vandien. Wat doet het onweer? `Waaien en trommelen', nog steeds volgens dezelfde dichteres Sanja. Deze definitie van onweer kan nauwelijks verbeterd worden, lijkt me, en je kunt er nog om grinniken ook. De onbewuste kinderdichters zijn vaak geestig: ketchup in een tube is `tandpastaketchup', ter onderscheiding van ketchup in een fles. En zij houden van eenvoudige beelden. Bij het zien van twee hijskranen, de ene wat hoger dan de andere, op een bouwterrein: `Kijk, de hijskraan is met zijn moeder een huisje aan het maken.'

Dichterlijk talent genoeg, zou je denken. Misschien is het allemaal nog geen kant en klare poëzie, maar de nodige technieken en vaardigheden zijn al aanwezig: beeldspraak, neologismen, etymologisering, humor, vrije syntaxis, en trouwens ook vaak veel gevoel voor rijm. Het vreemde is dat er bij het ontdekken van de wereld vervolgens weer zoveel afgeleerd moet worden – om iemand te worden om wie niet voortdurend gegrinnikt wordt. Je hoeft geen Jan Hanlo te zijn, die graag achterwaarts geleefd had en steeds jonger had willen worden (`Voor 't leren vergeten, zorgen de scholen'), om in te zien dat er bij de opvoeding veel verloren gaat. Kinderen moeten weten dat raampjes niet opgewonden kunnen worden. Ze moeten leren verschil te maken tussen opwinden en opendraaien, en trouwens ook tussen ronddraaien, malen en oprollen, en tussen de verschillende vormen van opwinden: men kan speelgoed, een anker, een spoel, de klok, een ander en zichzelf opwinden, maar dus niet een raam. En pas als dat allemaal geleerd is, vele jaren en vele nuanceringen verder, kan het weer afgeschud worden – en dan kan iemand weer op eigen houtje verzinnen, alsof hij weer een kind is, dat het heel mooi en beeldend is om te zeggen dat de chauffeur het raampje aan het opwinden is – en dan heet dat opeens dichterlijk. Vreemd allemaal.

Ik las een gedicht van de Engelse dichter D.J. Enright (1920), in zijn bundel Bread rather than blossoms (1956). Het heet `Blue Umbrellas' en het begint met een vraag van zijn zoon of dochter: hoe dat ding heet, `dat ding dat met zijn staart een blauwe paraplu maakt'. Bizar beeld, vreemde vraag, nog niet zo gemakkelijk te beantwoorden. Maar voor wie ziet wat het kind bedoelt is het een mooi geval van onbewuste kinderpoëzie. Dat vindt de vader ook. Schoorvoetend moet hij toegeven dat voor zo'n `ding' in het alledaagse taalgebruik alleen het woord `pauw' voorhanden is. Het is een droevig moment. De vader realiseert zich nu dat dit ene geval wel eens exemplarisch zou kunnen zijn voor wat zijn zoon of dochter op school nog allemaal te wachten staat. Het zal, op de wijze van de vreemde blauwstaartparapluwezens en de pauw, leren hoe alle dingen werkelijk heten. Het zal leren dat de headmaster bij voorkeur niet Head Monster genoemd moet worden. Het zal leren lezen, maar tegenover de winst daarvan staat het verlies van veel kinderlijke onschuld. Het zal een tijd van ontluistering worden: `het woordenboek gaat open, en de leuke paraplu gaat dicht.'

Leren is vooral afleren, zo lijkt Enright te willen zeggen. Het zou – het is aardig dat uit de mond van een dichter te horen – op school niet om eerbied voor woorden moeten gaan, maar om het koesteren van de zoveel echtere en oudere dingen: niet om pauwen, maar om die dingen die met hun staart een blauwe paraplu kunnen maken. Misschien, zo zegt Enright tegen zijn kind, word je op deze manier later wel gedwongen om je toevlucht te zoeken tot het schrijven van gedichten, om zo de leugenachtigheid van al die aangeleerde namen, begrippen en etiketten aan het licht te brengen. Het lijkt hem geen prettig vooruitzicht – en opnieuw is het aardig dat uit de mond van een dichter te horen.

Maar je kunt natuurlijk ook, zo adviseert hij tot slot, te zijner tijd je oor te luisteren leggen bij je kinderen, als ze weer eens druk doende zijn de wereld te ontdekken, want ook dan vind je de mooiste poëzie. Veel minder gedoe bovendien, en het bespaart je ook de moeite van al dat rijmen, `the dubious benefit of rhyme', zoals de laatste woorden luiden. De poëzie ligt niet in bundels, maar op straat, en op het speelplein – zo zegt de dichter, ironisch genoeg in een bundel, aan het slot van een gedicht dat zijn aanleiding nu juist vond in zo'n geval van kant en klare kinderpoëzie.