Zuinig Zeeuws meisje heeft haar langste tijd gehad

De zichtbare rijkdom kan niet verhullen dat Nederland anno 2000 een armoedige aanblik biedt. Het krappe begrotingsbeleid heeft de kwaliteit van vitale voorzieningen aangetast en moet dus op de helling, menen Paul Rosenmöller en Kees Vendrik.

Sinds het uitbreken van de economische crisis begin jaren '80 staan de publieke voorzieningen in Nederland onder druk. Kabinetten van verschillende politieke samenstelling onderwierpen de collectieve sector aan harde bezuinigingsronden. Omdat de budgettaire beperkingen nauwelijks hebben geleid tot een vermindering van de publieke taken, biedt de publieke sector in Nederland anno 2000 een armoedige aanblik, de zichtbare en overdadige particuliere rijkdom ten spijt. Alom wachtende mensen. Teveel moet worden gedaan met te weinig geld: het publiek domein is veranderd in een publiek tekort. Het krappe begrotingsbeleid blijkt de kwaliteit van vele sociaal en economisch vitale voorzieningen te hebben aangetast. Een ander beleid gericht op `publieke vernieuwing' met onder andere een nieuw begrotingskader is hard nodig.

Met het aantreden van het paarse kabinet van PvdA, D66 en VVD in 1994 bereikte de eenzijdige boekhoudkundige oriëntatie op de collectieve sector een hoogtepunt. Hoewel publieke zuinigheid doorgaans gerechtvaardigd werd met verwijzing naar de staatsschuld, stond bij paars reductie van het overheidstekort niet langer voorop. Lagere belastingen kregen nu de hoogste prioriteit. De eindafrekening van het eerste kabinet-Kok in 1998 laat dat ook zien: tegenover 12 miljard gulden aan bezuinigingen en 8 miljard verlaging van het financieringstekort, staat 17 miljard gulden aan lagere belastingen. Zo werd uit publieke armoede private rijkdom gefinancierd.

Dit was slechts mogelijk door de collectieve sector middels de befaamde Zalm-norm budgettair gesproken op water en brood te zetten. Een operatie die bijvoorbeeld in de gezondheidszorg heeft geleid tot een budget- controlesysteem, waar geen touw meer aan vast te knopen is. Een schrijnend voorbeeld hoe ook te krappe budgetten ondoelmatigheid in de hand kunnen werken.

Paars-2 ging van start in de wetenschap dat leniging van de ergste publieke noden niet langer kon worden genegeerd, mede vanwege de verkiezingswinst van linkse partijen in 1998. Er viel bovendien geen vetrand meer te ontdekken in de begrotingen. Toch continueerde paars de begrotingsmethodiek van minister Zalm.

Dit 'behoedzame' begrotingsbeleid lijkt op het eerste gezicht sympathiek vanwege de associatie met zuinigheid en vlijt. Zalm in de rol van Zeeuws meisje (`Geen cent teveel, hoor!') Nadere bestudering leert anders. Zoals te doen gebruikelijk rust de publieke boekhouding (dit jaar zo'n 350 miljard gulden aan uitgaven) op een economisch scenario, waarin voor 4 jaar de ontwikkeling van de economische groei, lonen, prijzen, rente, werkloosheid e.d. in samenhang uitgerekend zijn door het Centraal Planbureau. Paars koos in 1994 en 1998 bewust voor een scenario met een lage economische groei van jaarlijks 2 procent. Zo'n trage groei gaat samen met de nodige werkloosheid, maar anderzijds vallen ook de salarissen voor de ambtenaren, onderwijzers en verplegers – verreweg de grootste collectieve kostenpost – laag uit. Met deze berekeningen in de hand werden zogenoemde uitgavenplafonds voor de overheid, de zorg en de sociale zekerheid voor 4 jaar vastgesteld. Overschrijding van deze plafonds is uitgesloten.

Met de keuze voor dit te sombere groeiscenario kan het alleen maar meezitten. De afgelopen 6 jaar is de economische groei elk jaar (veel) hoger uitgevallen. Dat scheelt de nodige werkloosheidsuitkeringen, maar leidt ook tot hogere salarissen (tenzij de overheid bewust aankoerst op een achterblijvende loonontwikkeling in de publieke sector ten opzichte van de marktsector). Bij de uitgaven compenseren dit soort mee- en tegenvallers elkaar min of meer. Zo niet bij de inkomsten: daar regent het extra belastinginkomsten als gevolg van de hogere groei. Geschat wordt dat in 2002 de inkomstenmeevaller zal zijn opgelopen naar 30 miljard gulden. Nu luidt een sacrosancte coalitie-afspraak dat dit type meevaller nooit aangewend mag worden voor extra uitgaven, maar alleen bestemd is voor lagere belastingen en een lager financieringstekort. Het resultaat is dat de collectieve sector niet meegroeit met de welvaart, maar – alle beweringen over bijvoorbeeld de `onbetaalbaar wordende gezondheidszorg' ten spijt – steeds goedkoper wordt. En zo krijgt de Nederlandse economie een steeds Amerikaanser aanblik met dalende belastingen, groeiende private rijkdom en een snel slinkende publieke sector.

Dit `behoedzame' begrotingsbeleid heeft allerminst behoedzame consequenties. Door de bewuste keuze de economische ontwikkeling te onderschatten worden parlement en publiek keer op keer surrealistische begrotingen met een beperkte houdbaarheid voorgeschoteld. Waar begrotingsrust beloofd werd, blijken jaar op jaar onnodig grote aanpassingen van de cijfers nodig. Tot een transparante politiek leidt het allemaal niet. Nog vervelender is dat een beleid gericht op Publieke Vernieuwing met meerjarige structurele investeringen in onderwijs en zorg zo niet van de grond komt. Betrokkenen, ministers van spending departments incluis, moeten vaak maar afwachten of er volgend jaar ook weer geld is, cq. door Zalm beschikbaar wordt gesteld. Dit heeft mede tot gevolg dat inmiddels op forse schaal wordt gewerkt met structureel incidenteel geld, een weinig efficiënte werkwijze waar vele publieke werkgevers inmiddels hoorndol van zijn geworden. GroenLinks heeft daarom dit voorjaar een alternatief begrotingskader voorgesteld dat nu reeds zicht biedt op extra investeringen in 2002.

Maatschappelijk bezien leidt het behoedzame begrotingsbeleid tot de bizarre situatie dat een kort gehouden publieke sector op geen enkele wijze de sterk groeiende vraag naar kwaliteit in publieke dienstverlening onder een – mede dankzij forse belastingverlagingen – steeds rijker wordende bevolking kan beantwoorden. Die kwaliteit neemt in het onderwijs en vooral de gezondheidszorg zelfs af, ook al volhardt minister-president Kok in het beweren van het tegendeel. Dat is onverteerbaar voor een rijk land als Nederland en brengt een groot risico met zich mee: wanneer deze kloof niet snel wordt gedicht, dan stippelen de Nederlandse burgers straks massaal een private route uit, daarbij geholpen door commerciële partijen die staan te trappelen om de nieuwe kwaliteitsvraag te beantwoorden. Voor wie het kan betalen. Zo speelt het tweede kabinet-Kok Russische roulette met de publieke zaak.

De jongste Miljoenennota komt deels tegemoet aan de brede wens om binnen het uitgavenkader meer geld voor onderwijs, zorg en milieu ter beschikking te stellen. Meevallers bij de rente op de staatsschuld en de uitkeringen maken dit mogelijk. Het Centraal Planbureau waarschuwt echter in de Macro Economische Verkenning dat in 2002 het uitgavenkader à la Zalm misschien onvoldoende ruimte biedt om deze lijn voort te zetten. Nadere bestudering van de cijfers leert verder dat een deel van de miljardenimpuls gebruikt wordt om tegenvallers te financieren en oude of mislukte bezuinigingen op te vangen dan wel te krappe ramingen bij te stellen. Dit leidt nog niet tot verbetering van de kwaliteit van de publieke dienst en maakt geen einde aan de situatie dat privaat geld kruipt, waar het niet mag gaan.

Het moge duidelijk zijn: er is een offensief nodig onder het motto `publieke vernieuwing'. Dat verdient hogere politieke prioriteit dan het uitroepen van de aflossing van de staatsschuld tot nationaal project, waarmee het kabinet eigenhandig al de nodige haast maakt. Uitgangspunt is een ander begrotingsbeleid. Dit voorjaar heeft GroenLinks een nieuw begrotingskader voorgesteld op basis van een gemiddelde economische groei van 2,75 procent. Tevens moet het uitgavenkader flexibel kunnen reageren op de loonontwikkeling. Dat geeft veel meer ruimte voor de noodzakelijke publieke investeringen in zorg, onderwijs en milieu. In 2002 komt op deze wijze meer dan 10 miljard gulden extra ter beschikking voor publieke investeringen. Voor lagere belastingen komt geen geld beschikbaar.

Door deze ruimte tijdig en voor meerdere jaren vast te leggen, is een doelmatige besteding van extra gelden beter gegarandeerd. Zo kunnen de werkgevers in de gezondheidszorg en onderwijs een wervender personeelsbeleid voeren, bepaald geen luxe in deze krappe arbeidsmarkt. Ook sluit de meerjarenbegroting beter aan bij de verwachte economische realiteit. Dit bevordert de begrotingsrust en transparantie van het besluitvormingsproces. Het derde voordeel is dat wordt gebroken met het liberale begrotingsbeleid waarin lagere belastingen jaar in jaar uit worden gefinancierd uit oplopende publieke krapte.

Het doet deugd dat ook de Sociaal-Economische Raad deze zomer unaniem heeft gepleit voor een nieuw begrotingsbeleid op basis van een trendscenario. D66 heeft eveneens afstand genomen van het begrotingsbeleid van minister Zalm en inmiddels lijkt ook de PvdA gevoelig voor de noodzaak van een ander begrotingsscenario voor de volgende kabinetsperiode. Dat is politieke winst, maar zolang kunnen de gezondheidszorg en het onderwijs niet wachten. Publieke vernieuwing behelst niet alleen een trendbreuk in de financiering van de publieke sector. In de gezondheidszorg is ook een heldere politieke keuze aan de orde ten gunste van een nieuwe organisatie van de zorg en omvorming van het huidige chaotische verzekeringsstelsel tot een brede basisverzekering. In het onderwijs moet, desnoods met onorthodoxe maatregelen, het tekort aan leraren snel bestreden worden. Het wegwerken van andere achterstanden en het moderniseren van het onderwijs verdienen de hoogste prioriteit. Daarnaast zullen patiënten, cliënten, leerlingen, ouders en werknemers via vouchers, persoonsgebonden budgetten en andere instrumenten hun invloed moeten kunnen doen gelden.

Een nieuw begrotingskader, een moderne en kwalitatief goede uitvoering van publieke taken alsmede een aanvalsplan om de arbeidsmarktspositie van de publieke sector te versterken, zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Alleen met zo'n beleid van publieke vernieuwing kan een nieuw publiek elan worden los gemaakt en de neerwaartse spiraal van permanente krapte, personele demotivatie, knellende bureaucratie en verspilling van talent doorbroken worden.

Paul Rosenmöller en Kees Vendrik zijn lid van de Tweede Kamer en maken deel uit van de fractie van GroenLinks.