`Wat je wilt bewaren, graaf je niet op'

De grote golf aan nieuwbouw die over Nederland trekt, is goed voor de archeologie maar slecht voor de bodemschatten. De archeoloog maakt vandaag de dag eerder vuile handen in de vergaderzaal dan in de klei. Leidsche Rijn-archeoloog Herre Wynia: `Je moet het nog te veel hebben van je mooie blauwe ogen en je interessante verhaal.'

Herre Wynia pakt een glazen potje uit de kast en schudt een paar zwartgeblakerde korrels op de palm van mijn hand. ,,Romeins graan. Tweeduizend jaar oud.'' De verwondering staat met grote letters op zijn gezicht geschreven. ,,Dankzij een brand in een boerenschuur is dat graan niet gaan ontkiemen en is het bewaard gebleven.'' Grinnikend: ,,Eén korreltje heb ik geproefd. Smaakt natuurlijk nergens naar.''

Als een van de twee archeologen van de gemeente Utrecht houdt Herre Wynia (33) zich bezig met Leidsche Rijn. Dat is nu de grootste Vinex-locatie van Nederland, verdeeld over de gemeenten Utrecht en Vleuten/De Meern, waar binnen een periode van tien, vijftien jaar een geheel nieuwe stad ter grootte van Delft verrijst. Maar dit voormalige stroomgebied van de Rijn bevat ook een uitzonderlijke rijkdom aan cultureel erfgoed van de afgelopen vier millennia, vanaf de Bronstijd via de Romeinen en de Middeleeuwen tot aan industriële monumenten uit de negentiende eeuw. ,,Als er rekening was gehouden met de cultuurhistorie, dan was een rijk archeologisch gebied als Leidsche Rijn zeker met rust gelaten. Maar bij het kiezen van de Vinex-locaties golden heel andere criteria, vooral dat ze dicht tegen de steden aan liggen.''

Dagelijks houdt Wynia zich dan ook bezig met de vraag: hoe houdt de cultuurhistorie zich staande in de vloedgolf aan nieuwbouw die over Nederland trekt? De druk op de open ruimte is groot, de financiële belangen ook. Hoe red je wat er te redden valt zonder als querulant terzijde te worden geschoven? En hoe draag je de verhalen die al eeuwen verborgen liggen onder het gras, over aan de (nieuwe) bewoners van het gebied – als ze die verhalen überhaupt willen kennen?

Toen Wynia vier jaar geleden kwam werken in het Archeologisch Bouwhistorisch Centrum in Utrecht ontdekte hij dat het werk van de archeoloog zich tegenwoordig vooral in de arena van de vergaderzaal afspeelt. ,,Vroeger zat de archeoloog alleen onder de grond in het verleden te wroeten, nu zitten we al vanaf het begin erbij om mee te denken over de toekomst.'' Je hebt er humor voor nodig, zegt hij, en enthousiasme, en zeker ook relativeringsvermogen. ,,Je moet heel gericht kiezen waar je je sterk voor maakt. Ik maak me wel sterk voor de Rijnloop die als een lint door het hele gebied loopt, maar ik kan niet voor elke sloot in de bres springen.'' Als je alleen maar roept dat alles even waardevol is en er niets verloren mag gaan, luistert er al gauw niemand meer. Kijk, er gaan altijd dingen verloren. Dat is niet erg, want de geschiedenis is niet statisch. Maar ik vind wél dat we bewust moet kiezen wat we weghalen en wat voor nieuws we daarvoor in de plaats maken.''

Waterloop

De positie van de cultuurhistorie in het bouwproces is bepaald niet sterk, vindt hij. De archeologie is één van de vele belangen, en legt zelfs minder gewicht in de schaal dan het milieu, bijvoorbeeld, of de verkeersafwikkeling, die een enorme batterij harde wetten achter zich heeft. Wynia zou graag vastgelegd willen zien dat de cultuurhistorie het uitgangspunt moet zijn van het ontwerp, dan kan de archeoloog zich ergens op beroepen. ,,Als archeoloog moet je het nog te veel hebben van je mooie blauwe ogen en je interessante verhaal. Je moet maar afwachten wat de stedenbouwers met jouw verhaal doen, want nergens staat zwart op wit dat cultuurhistorie deel van het nieuwe ontwerp móet zijn.''

Het is daarom zaak er vroeg bij te zijn, zegt Wynia. ,,Onze belangrijkste taak is het aandragen van kennis. Wij moeten ervoor zorgen dat de ontwerpers bij het maken van de eerste schetsen al in het hoofd hebben wat de landschappelijke structuren zijn, welke sporen uit het verleden er zijn. Ik kan een ontwerper op een oude waterloop attent maken en suggereren dat hij in zijn plan daar iets mee zou kunnen doen. En dan moet ik oppassen dat ik het niet te dwingend suggereer, want híj is de ontwerper. Die waterloop komt dan in het nieuwe stedenbouwkundige ontwerp terug als een waterpartij, of een rooilijn, of een bomenrij. Of hij verdwijnt spoorloos.''

De cultuurhistorie wordt niet alleen bedreigd door de bouwdrift, maar profiteert er in zekere zin ook van. Er zijn opmerkelijke vondsten gedaan bij de bouw van Leidsche Rijn. Tijdens het graven van een nieuwe waterpartij kwam in 1997 in Vleuten/De Meern eerst tweeënhalve kilometer Romeinse weg te voorschijn, vervolgens een compleet en goed geconserveerd houten schip. ,,Daar kun je als archeoloog alleen van dromen'', zegt Herre Wynia met een zekere afgunst. Als die waterpartij niet werd gegraven, waren de weg en dat schip misschien nooit teruggevonden.

In een vitrine op het Archeologisch Bouwhistorisch Centrum liggen kleinere, intrigerende objecten die bij pre-Vinex-opgravingen zijn gevonden: pijlpunten, een gesp, een duizend jaar oude broche, een fluitje van bot, de twee millennia oude graankorrels. De opslagruimte op de begane grond staat tot het plafond volgestapeld met dozen met het opschrift `LR'. Meerdere generaties bewoners van de nieuwe Vinex-huizen zullen komen en gaan voordat al deze flarden van het verleden zijn schoongemaakt, gecatalogiseerd en geconserveerd.

Paradoxaal genoeg wordt juist dankzij de komst van de graafmachines, die de bodem flink zullen verstoren, het inventariseren en onderzoeken van die bodem ineens urgent. Noem het maar het archeologisch piepsysteem. De bouwhausse heeft geleid tot meer aandacht voor de cultuurhistorie en dus ook meer opgravingen; er dreigt zelfs een tekort aan veldarcheologen. Maar wat goed is voor de werkgelegenheid, is niet goed voor de bodemschatten: met elke schep die in de grond gaat, gaat iets van het bodemarchief verloren.

Ook in Leidsche Rijn is pas uitgebreid onderzoek op gang gekomen toen de Vinex-bedreiging opdoemde. In 1993 is Utrecht als eerste gemeente in Nederland begonnen met het opstellen van een Cultuur Historische Effect Rapportage (CHER), naar voorbeeld van de Milieu Effect Rapportage die bij grote ingrepen wettelijk verplicht is. Het idee erachter was dat als de bewoningsgeschiedenis zichtbaar wordt, de cultuurhistorie dankzij concrete gegevens een sterkere rol in de planvorming kan spelen.

Maar vaak is het al te laat. ,,In Parkwijk hebben we alsnog een compleet Middeleeuws landschap gevonden. Maar dat krijg je nooit meer in het bestaande plan ingepast.'' De vondst van dat stuk Romeinse weg in Vleuten/De Meern was wél spectaculair genoeg om de plannen aan aan te passen. Daar waar de nieuwe riolen komen, worden er gedeelten opgegraven; bij het funderen van de huizen eromheen wordt de weg zo veel mogelijk ontzien, en er wordt gezocht naar manieren om aan te geven dat daar iets bijzonders onder de grond ligt. Het Romeinse schip wordt opgegraven, omdat het door veranderingen in het grondwater anders zou wegrotten.

In de CHER zijn de bodemschatten voor zo ver mogelijk geïnventariseerd en op een `waarderingskaart' opgenomen. De kaart ziet zwart van de stippen: nederzettingen vanaf de Bronstijd (±1500 v.Chr.) waarvan weinig meer over is dan een verkleuring van de aarde, uit de IJzertijd (800 v.Chr.), van de Romeinen en diverse Middeleeuwse kastelen. Van de tientallen vindplaatsen zijn er 36 aangemerkt als belangrijk; dertien ervan zijn inmiddels wettelijk beschermd. Voor de archeologische voorwerpen ònder de grond is de CHER heel nuttig gebleken, zegt Wynia, maar voor de inpassing van cultuurhistorische elementen bóven de grond heeft hij er minder aan. ,,De structuren die dit landschap hebben gevormd, zoals oude wegen en kleine waterlopen, genieten geen wettelijke bescherming. Dan moet je het weer hebben van je mooie blauwe ogen en je interessante verhaal.''

Castellum

Aan de weg en het fietspad langs de Castellumlaan is werkelijk niets bijzonders te zien, hooguit dat ze een beetje heuvelopwaarts lopen. ,,Dit is het enige Romeinse grensfort in Nederland waar je met de auto doorheen kan.'' Enkele meters onder ons ligt een fort dat de noordgrens van het Romeinse rijk markeerde, een uitgestrekt complex met hoofdgebouw, badhuis, soldatenbarakken en grafvelden. Onderwijl staat hij met een stok in de struiken van de groenstrook te peuren: ,,Soms vind je hier scherven die zich langzaam naar de oppervlakte hebben gewerkt.''

In haar masterplan voor Leidsche Rijn heeft stedenbouwkundige Riek Bakker de voornaamste vindplaatsen veiliggesteld als park. We rijden om te beginnen langs het grootste – het Groot Archeologie Park in wat straks Parkwijk zal heten. In zijn ontwerp laat Frank de Josselin de Jong de oude hoogteverschillen tussen lage rivierloop en hogere overwallen terugkomen. Het park zelf moet nog worden aangelegd, van de bodemschatten eronder – uit de IJzertijd en van de Romeinen – zie je al helemaal niets. En dat blijft zo. ,,Ja, dat is het merkwaardige van archeologie in een land met een natte bodem'', zucht Wynia. ,,De blubber is een prima conserveermiddel. Wat je wilt bewaren, graaf je vooral niet op, dat laat je rustig onder de grond liggen. Onzichtbaar, ja. Want als je het opgraaft, hou je alleen wat houtsplinters en stukjes leer en een paar knopen over. Dan zijn de samenhang, en daarmee de waarde, verdwenen. Alleen wat toch verloren gaat, graven we op.'' Dat rustig laten liggen waar het ligt, heet in de beleidstaal van de archeologie `duurzaam beheren'. Ineens krijgt het woord `bodemarchief' voor de leek een nieuwe betekenis.

Goed, in de archeologische parken van Leidsche Rijn zijn de bodemschatten beschermd, maar wat houdt het beschermen in, als je er niets van ziet? Volgens Wynia gaat het erom dat de bodemschatten ongestoord blijven. Dat ze niet door te veel gewicht in elkaar worden gedrukt, of door funderingspalen doorboord worden. Dat laatste is aan de orde bij de bouw van nieuwe huizen rond het Kleine Archeologie Park in de wijk Langerak II. ,,De stedenbouwkundige Kees Christiaanse had een rij nieuwe woningen gepland met uitzicht op het park'', legt Herre Wynia uit. ,,Daaronder ligt een nederzetting van rond het begin van de jaartelling, bestaande uit boerderijen met bijgebouwen en afvalkuilen. Om die te sparen ontstond het idee om de huizen op betonnen platen te bouwen. Dat was helaas niet haalbaar, dus is er uitgezocht wat het minimum aantal palen is en zijn er wat extra voorzieningen voor de fundering gekomen. Dan kan ik wel zeggen: hoho, dat mag niet, en aangezien deze plek wettelijke bescherming geniet, had dat ook gekund. Natuurlijk word ik er af en toe moedeloos van, maar de archeologie is onlosmakelijk met dat hele proces verbonden geraakt. Dat ontkom je niet aan compromissen. En een goede stad maken is tenslotte ook óns belang.''

Toch heeft ook hij er moeite mee dat een duizend jaar oude watergang zonder pardon wordt dichtgeschoven voor de aanleg van de zogenoemde HOV-baan (Hoogwaardig Openbaar Vervoer). ,,Je kunt je troosten met de gedachte dat die watergang veilig opgeborgen ligt. Je kunt zelfs zeggen dat het HOV van nu, de rivier van toen is – maar de poëzie is er wel uit.''

Het veldwerk van de archeoloog die voor de shovels uitwerkt, kan emotioneel zijn, zegt hij. ,,Je werkt weken lang in een gebied, je leert de torenvalk kennen die altijd boven je hangt, je kent de gewoontes van de konijnen. Je gaat als archeoloog heel subtiel te werk, maar als je dan een paar weken later terugkomt is er alleen het geweld van bulldozers. Dan begint de vernietiging.''

Gipsen skelet

Aangezien de archeologie zelf onzichtbaar blijft, moeten de makers van een nieuwe stad naar andere middelen zoeken om het verhaal van deze plekken aan bewoners en passanten over te brengen. Een hek om een stuk gras met een bord `Hieronder ligt een archeologisch monument' spreekt niet erg tot de verbeelding, maar een pretpark ervan maken wil ook niemand. Hoe ver ga je als archeoloog met het uitventen van het verzameld verleden? De cultuurhistorie wordt ook misbruikt als marketingtruc: in Leidsche Rijn worden bijvoorbeeld huizen aangeboden van het `type-Virgilius' of `type-Livius' – des te frappanter aangezien er helemaal geen contact is tussen archeologen en architecten. Dan wordt de archeologie nolens volens een schaamlap, een cultuurhistorische variant voor projectontwikkelaars op het `ethisch ondernemen'. Toen een van de ontwikkelaars Wynia vroeg om een lijst met toepasselijke namen koos hij voor de vrouwen van Romeinse keizers die hun man hadden vermoord (doodgestoken, vergiftigd). Van zijn voorstellen is nog geen gebruik gemaakt.

De preciezen zullen zeggen: wie geïnteresseerd is, weet heus wel aan informatie te komen. Herre Wynia behoort eerder tot de rekkelijken. Hij heeft een cultuurhistorische fietsroute voor de Leidsche Rijn samengesteld en speelt met nog wat ideeën. Het markeren van interessante plekken door bronzen plaatjes bijvoorbeeld, zoals Jan Dibbets met `het langste monument van Parijs' heeft gedaan ter ere van de Meridiaan van Parijs. ,,In Parkwijk vonden we een skelet uit de IJzertijd met ingeslagen schedel. Zou het niet een idee zijn om daar een gipsen afgietsel van te maken en onder een glasplaat te leggen op de plek waar die man stierf?''

In het Groot Archeologie Park zou hij graag een grote Romeinse boerderij die daar ooit stond, `reproduceren' door de omtrek ervan aan te geven met bomen – vergelijkbaar met de kathedraal van bomen die Marinus Boezem heeft gemaakt in Almere. Een wat minder abstracte verwijzing is nu gepland op het schoolplein dat straks in het Kleine Archeologie Park ligt: in het plaveisel komen roestvrij stalen figuren van Asterix en Obelix en voorwerpen als een helm en een speer en een sandaal, en in de schooltuin gewassen die daar in de Romeinse tijd groeiden.''

Wat hij wil, is mensen laten zien waar ze wonen en wat er vóór hen is geweest. Hoe sneller de stadsontwikkeling, hoe belangrijker dat besef. ,,Utrecht heeft er tweeduizend jaar over gedaan om de stad te worden die het nu is, nu gaan we een gebied dat veertien keer zo groot is als de historische binnenstad, in tien jaar uit de grond stampen.'' Maar komt de boodschap aan? Zullen de bewoners van Leidsche Rijn de verhalen verstaan die hen via allerlei tekens en metaforen in het oor worden gefluisterd? Geen flauw idee, zegt Herre Wynia. ,,Liefst zou ik over tien jaar bij al die mensen interviews komen houden met als voornaamste vraag: `Is het u opgevallen dat...''' Hij is ervan overtuigd dat een nieuwe wijk zich dankzij de cultuurhistorie van soortgelijke nieuwbouw kan onderscheiden. ,,Misschien is het arrogant van mij, maar ik denk dat mensen gelukkiger zijn als ze ergens wonen waar de cultuurhistorie nog leeft. Ik ben me er zeer van bewust dat de archeologie in dat complexe spel van het bouwen van een nieuwe stad één belangetje is – maar wel een belangetje met een morele waarde.''