Ver-bro-ken Ver-voe-gin-gen

Een dag, het was donderdag 30 mei, zei Wim Kok tot zijn mensen:

``Mensen! Provincie-mensen, stedenmensen! Groninger, Gelderlander, Zeelander, Brabander, Limburger! Burger van Rotterdam, van Leiden, Arnhem, Bussum, Groningen!

Zinnen moeten louter triootjes-lettergrepen houden! Dus nimmer lettergrepen van één letter, nimmer ook lettergrepen van een letterkoppel, nimmer quadroletter-lettergrepen, vijfletter-lettergrepen.

Dus bladen-koppen worden: `Het was een tijd vol van miljoenen stakingen met uitzonderlijk weinig problemen' alsook: `Uitslagen van verkiezingen vol fouten alsook vervalsingen'.

Men zal willen vragen: Wat zal van ons praten blijven?

Wel, kijk: mag mag, kan kan, ken kan ook. Zie: zie, kom, ben, hou, blijven blijven rustig binnen. Heb lol: zuipen, boksen, krijsen, spugen blijven ook zonder twijfel. Echter: vervoegingen worden korter, aantal vormen zijn verbannen'.

Aldus sprak de minister-president, Ik heb het voor u uitgezocht. We kijken naar de eerste persoon enkelvoud en meervoud, in de tegenwoordige tijd en in de verleden tijd. Nu kan elk werkwoord in elk van die vier mogelijkheden uitgesproken worden. Straks komen er twaalf werkwoord-vervoegingen.

De eerste vier werkwoordvervoegingen zijn armoedig: slechts een kwart van de oude vormen blijft bestaan, ik heb ze in het grijs gezet in de vier linkervierkanten.

Mag, kijk, sla en doe bestaan alleen in het heden-enkelvoud.

Gaf, nam, mat, las, vergat bestaan alleen in het verleden-enkelvoud.

Bieden, buigen, zuipen, graven, houwen zijn er alleen in heden-meervoud.

Stoven (van stuiven), voeren (van varen), lieten, liepen en gingen zijn er alleen in verleden-meervoud.

Om twee armoedige vervoeginkjes heen vinden we twee bijna-complete vervoegingen, die nu juist buiten de grijze gebieden moeten blijven. Zo zijn hef, val, ken, bak, red, zet, tel, was, gis, kus en vel alleen afwezig in het enkelvoud van de verleden tijd, terwijl ben (plus was en zijn), bid, lig, zit, bidden, liggen, zitten, bad, lag, zat alleen verboden zijn in de meervoudsvorm van het verleden – waren mag immers niet.

De volgende vijf vervoegingen zijn ieder in een helft van het strijdperk toegestaan. Er zijn werkwoorden die alleen in het heden bestaan (hou, houden), alleen in het enkelvoud (zie, zag) of alleen in het meervoud (binden, bonden, breken, braken, blijven, bleven, hangen, hingen, worden, werden, spugen, spogen).

Er zijn ook twee diagonaal-vervoegingen. De ene heeft de vormen in de grijze kwarten van enkelvoud-tegenwoordige tijd en meervoud-verleden tijd (kom, aai, erf, beitel, uit, spijker, vrij, kwamen, aaiden, erfden, beitelden, uitten, spijkerden, vrijden), de andere bezet juist de twee andere tegenoverelkaarliggende kwarten van de arena: de tegenwoordige tijd-meervoud en de verleden tijd-enkelvoud (boksen, botsen, dorsen, petsen, walsen).

En dan zijn er gelukkig nog werkwoorden die overal mogen: heb, had, hebben, hadden, kan, kon, kunnen, konden, en voorts: zeggen, leggen, zullen, willen, winnen, verzinnen. De treurige rest, zoals beloven, schijnen, leven, sterven, baren en streven, zullen geheel uit het Nederlands moe-ten ver-dwijnen als Wim Kok zijn zin zal krij-gen.

Dit is het eerste deel van een serie.