Van hobby tot aftrekpost

Dat de fiscus inhalig is, ligt in zijn aard. Toch kan het gebeuren dat men hemel en aarde moet bewegen om de belastinginspecteur zover te krijgen dat hij inkomsten belastbaar vindt.

De ogenschijnlijk tegennatuurlijke wens om de belastingdienst te vragen om inkomsten te belasten komt men tegen bij de mensen die voordeel hebben van de fiscale erkenning van een uit de hand lopende hobby. Ze opereren op een tamelijk onbekend fiscaal gevoelig grensgebied.

Hoewel de fiscus gretig is als het op het belasten van voordeeltjes aankomt, blijft er meer onbelast dan men op het eerste gezicht denkt. Bij bedrijven kijkt de fiscus naar het verschil tussen de waarde aan het begin en aan het eind van het jaar; dat is de winst. Zo'n systeem is in iets aangepaste vorm ook denkbaar bij particulieren. De Nederlandse wetgever hanteert evenwel een ander principe. Specifieke inkomensbronnen zoals het werk, aandelen of een huis leveren voordelen op in de vorm van loon, dividend of huur. Die specifieke voordelen zijn belast. Dat systeem verandert overigens wat vermogensinkomsten als dividend en huur betreft op 1 januari 2001.

Vermogensinkomsten vallen dan onder een speciale heffing: de vermogensrendementsheffing. Dat lost niets op van onduidelijkheden rondom de belastbaarheid van geld dat men met werken verdient. Als dat inkomen in dienstbetrekking of als zelfstandige wordt verdiend, is de belastbaarheid duidelijk genoeg. Maar men kan ook geld krijgen voor een hulp aan de zieke buurvrouw of door honden te fokken of als standhouder op een braderie. Bij dit soort activiteiten raken we in een fiscaal schemergebied. Hier staat men schouder aan schouder met mensen die bedrijfsmatig actief zijn. Voor de belastingheffing is het economisch verkeer een scheidslijn. De burenhulp valt daarbuiten en daarmee zijn de inkomsten onbelast. De fiscus komt pas om de hoek kijken bij activiteiten waar men geld mee wil verdienen en op de vrije markt ook mee kan verdienen. Grof gezegd loopt deze tweede grens tussen amateurs en hobbyisten aan de ene kant en professionals aan de andere zijde.

Voor de opbrengst van activiteiten waar men zich met veel talent aan overgeeft maar waar per saldo geen droog brood mee te verdienen valt, interesseert de fiscus zich niet. Zodra die activiteiten winstgevend blijken, eist de belastinginspecteur evenwel zijn deel op en wel naar het progressieve tarief. Dat klinkt erg opportunistisch en dat is het ook. In de praktijk is de fiscus niettemin terughoudend. Kleine voordeeltjes zijn hem nauwelijks de moeite waard. Prijzengeld of verkoopopbrengsten wegen trouwens niet zo snel op tegen de nodige investeringen in materiaal, reiskosten en begeleiding. Voor de betrokkenen kan het wel aantrekkelijk zijn ondanks de verliezen de fiscale status van een professional na te streven. Daarbij is het niet van belang of men al dan niet een ander (hoofd)beroep heeft. Een huisvrouw kan tevens honden fokken, een gevangenbewaarder kan op braderieën oosterse gewaden verkopen en als uitvinder kan iedereen een mooie toekomst najagen. Met een echte nevenactiviteit die doorgaans meer dan halve dagen kost, kan men op de fiscale status van een zelfstandige rekenen en dat is weer en stap verder.

Zelfstandigen moeten net als de mensen op het grensgebied tussen hobby en professionalisme uitkijken voor een fiscale valkuil. Die bestaat uit het belastingbetalen zodra er winsten zijn, zonder dat de verliezen in de opbouwfase fiscaal geldend gemaakt konden worden. Zodra er winsten zijn, vindt de fiscus de activiteit professioneel en dus belast; toen er nog verliezen waren ging het om een hobby waar de fiscus niets mee te maken heeft. Zo ontstaat voor de fiscus een loterij zonder nieten. Daarom is het voor de professional in de dop handig in een vroeg stadium contact met de belastinginspecteur op te nemen. Men moet de inspecteur er wel van overtuigen dat met de voorziene activiteit per saldo geld te verdienen valt en dat men er daarom aan begint. Het is niet voldoende dat men het vooral leuk vindt en er later misschien nog wel wat aan over houdt.

Het voordeel van de vroegtijdige zegen van de belastinginspecteur is dat de verliezen meteen vergolden kunnen worden. Als de winst onverhoopt uitblijft, hoeft geen herrekening van de belastingaanslagen te volgen. De inspecteur zal afhankelijk van iemands overtuigingskracht voorwaarden stellen zoals een minimale omzetgroei. Wie pas op het moment dat de fiscus zijn deel van de winst opeist, de aanloopverliezen ter sprake brengt staat zwakker. Hij is afhankelijk van redelijkheid van de belastingambtenaar. Die is mede afhankelijk van het bestaan van een dossier dat duidelijk maakt welke kosten men heeft gehad. Voor een hondenfokker in spé zijn dat bijvoorbeeld de aanschafkosten en het voer van de teefjes, de kosten van het dekken net zo goed als van de behuizing van de honden en de kosten van noodzakelijke autoritten. Voor wie denkt winst te kunnen maken door op jaarmarkten en braderieën sarongs uit het Verre Oosten te verkopen, kan naast de aankoopkosten van de exotische waar ook een deel van de reiskosten meetellen.

Zowel mensen die als hondenfokker adverteren als degenen die geregeld op jaarmarkten en braderieën verschijnen, krijgen vroeg of laat een belastingambtenaar aan de deur. Dat moment kan men beter vóór zijn door tijdig afspraken te maken. Beide partijen leggen zich dan vast. Vindt de inspecteur dat het om een ver doorgevoerde hobby gaat, dan weet men dat men zich niet op latere belastingheffing hoeft voor te bereiden. Erkent de inspecteur de hele onderneming als zakelijk dan kan men vroegtijdig de aanloopverliezen in de belastingaangiften verwerken. Een eventueel verschil van inzicht kan men meteen uitvechten. Erkent de inspecteur de zakelijke activiteit niet, dan heeft men nog een herkansing, als later de activiteiten na aftrek van kosten een positief saldo opleveren. Men mag in die gevallen veelal dan ook de verliezen in de opbouwfase alsnog opvoeren. Vanaf de komende jaarwisseling staat die mogelijkheid van verliesverrekening zelfs in de wet.