Records

Het heeft pas zin om over records te spreken als alle voorwaarden op alle plekken op elk mogelijk tijdstip hetzelfde zijn. Vandaar dat er een maximaal aantal meters rugwind per seconde is toegestaan, om te voorkomen dat een atleet tijdens een cycloon een supertijd loopt. Dat inzicht bestond niet meteen op de Olympische Spelen, maar groeide per editie.

In 1908 in Londen ontdekte het IOC dat het belangrijk is een jury te hebben, die niet alleen uit mensen van het organiserende land bestaat. Vooral Groot-Brittannië en de Verenigde Staten hadden dat jaar veel conflicten hierover, omdat de puur Britse jury enkele malen opvallend mild was voor landgenoten. Dat gebeurde zowel op de 400 meter atletiek als het touwtrekken – toen nog een olympische sport. Dat was dus de laatste keer dat het zo werkte op de Spelen: vanaf 1912 kwamen de leden overal vandaan.

Verder moeten de condities altijd hetzelfde zijn: de marathon was tot 1908 veertig kilometer lang, totdat plots ruim twee kilometer werd toegevoegd, omdat het Koninklijk Huis zo graag de start voor het kasteel wilde hebben.

Die afstand is nooit meer gewijzigd, zodat we de marathon van 2000 kunnen vergelijken met die van 1908. Want als we nu weer een andere afstand moeten lopen, is het onmogelijk om vergelijkingen te trekken. Want records zijn toch wel vreemd: het geeft de sporter van nu nog steeds de kans in een fictieve race te winnen van iemand uit 1928 die al lang is overleden.