Patstelling

`GEVAARLIJK SPEL'. Zo typeerde de persrechter van het Amsterdamse gerechtshof deze week op de televisie de gijzeling van de journalist Koen Voskuil, die weigert een vertrouwelijke politiebron in de geruchtmakende zaak Mink K. te noemen. De rechter doelde op twijfels over de aanpak van de journalist. Zijn anonieme bron stond alleen en wordt nu bovendien categorisch tegengesproken door de top van het Amsterdamse korps en de directeur van het loodgietersbedrijf dat aan het omstreden lek in een flat aan de Amsterdamse Nachtwachtlaan te pas is gekomen.

De typering `gevaarlijk spel' slaat echter wel degelijk ook op de harde confrontatiekoers die het gerechtshof heeft ingezet. In gevaar is een fundamenteel aspect van de persvrijheid. Het Europese Hof voor de mensenrechten in Straatsburg heeft in 1996 ondubbelzinnig vastgesteld dat bronbescherming onontbeerlijk is voor de functie van de media als `waakhond' in een democratische rechtstaat. Slechts in buitengewone omstandigheden moet het beroep op de persvrijheid wijken.

Reeds voor de Straatsburgse uitspraak hebben ministers van Justitie in Nederland gemaand tot `terughoudendheid' bij het voor het blok zetten van journalisten. Het Amsterdamse gerechtshof heeft daar weinig blijk van gegeven. Zonder veel acht te slaan op alternatieve onderzoeksmethoden ging het over tot gijzeling. Dat is toch al een paardenmiddel. Het roept zeker vragen op in een principezaak als die van Voskuil.

Dat er vanuit beroepsmatig oogpunt wellicht kanttekeningen zijn te plaatsen bij de aanpak van Voskuil doet aan dat principiële karakter niet af. Niets belet het gerechtshof zelf uit te maken wie het meer gelooft, de anonieme bron of de loodgieter. Dat zal het als de journalist blijft zwijgen trouwens wel moeten. Dat het hier om een belangrijke zaak gaat – de betrouwbaarheid van ambtsedige verklaringen van de politie – maakt het belang van de bronbescherming niet minder. Het journalistieke verschoningsrecht is niet voorbehouden aan bagateldelicten.

HISTORISCH GEZIEN moet de Nederlandse rechtspraak niets hebben van een journalistiek verschoningsrecht. Dat heeft zij duidelijk gemaakt in een reeks van uitspraken die teruggaat tot 1852, toen de directeur van de Nieuwe Rotterdamsche Courant weigerde de geheime bron te onthullen van berichten over verduistering bij de bank van lening in Haarlem. Het was pas onder druk van de Straatsburgse rechtspraak dat de Hoge Raad in 1996 `om ging'. Het college greep de eerste de beste gelegenheid – het vorderen van journalistiek beeldmateriaal van ongeregeldheden in Amsterdam – aan om zijn wrevel duidelijk te maken.

De onvruchtbare `patstelling' waartegen de vooraanstaande jurist T. Koopmans in 1978 waarschuwde, dreigt een reprise te krijgen. De Amsterdamse gijzeling heeft de discussie over een wettelijke regeling van het journalistieke verschoningsrecht doen herleven. Er ligt nog steeds een initiatief-wetsvoorstel-Jurgens (thans: Wagenaar) uit 1993 dat de patstelling beoogde te doorbreken. Het is echter goeddeels achterhaald door de Straatsburgse uitspraak en hoogstens bruikbaar voor de kwestie van bescherming van journalistiek materiaal.

GEEN ENKELE WETSBEPALING kan absoluut zijn. De eindbeslissing ligt in de praktijk altijd bij de rechter. Op zichzelf is het begrijpelijk dat zeker de strafrechter moeite heeft met een journalistiek verschoningsrecht. Het is zijn taak zo goed mogelijk de materiële waarheid boven tafel te halen. Juist van een professionele zittende magistratuur zoals wij die kennen mag echter worden verwacht dat zij het opbrengt de normatieve grenzen van het proces van waarheidsvinding te erkennen. Dat geldt voor onrechtmatig verkregen bewijs en ook voor journalistieke bronbescherming.