`Nederland wil geen Gouden Eeuw'

Gisteren ontving de Amerikaan Jan de Vries in Amsterdam de Heinekenprijs 2000 voor geschiedenis.

Hij werd onder meer geprezen voor het blootleggen van de wortels van de moderne markteconomie, vooral in de (noord-) Nederlandse Republiek.

Jan de Vries is geen Nederlander, maar wel een Nederlands exportproduct. Als jongetje emigreerde hij met zijn ouders naar de VS. De Vries is redacteur van de Journal of Economic History en hoogleraar aan de Universiteit van Californië in Berkeley. Ondanks zijn weinig Amerikaanse naam én diepgaande kennis van de Nederlandse Gouden Eeuw, ziet men hem op de zonnige campus van de Universiteit van Californië in Berkeley, even buiten San Fransisco allerminst aan voor een vreemdeling. Hij geldt er als een van die academische zwaargewichten waar Berkeley in grossiert – men grinnikt graag over iedere nieuwe `N-parkeerplaats' bij een instituut waar weer een Nobelprijs is terechtgekomen.

Sinds deze zomer is De Vries in Berkeley ook nog provost for academic affairs, de derde man in de academische hiërarchie. Hij gaat over benoeming, ontslag, pensionering en bevordering van het academisch personeel. Daarbij inbegrepen zijn de altijd met spanning tegemoet geziene beslissingen of een staflid tenure krijgt. Binnen zes jaar moet worden besloten of een docent een vast dienstverband krijgt; zo niet dan dient de betrokkene zijn heil elders te zoeken.

Jan de Vries ziet er op toe dat deze procedures eerlijk en met redenen omkleed worden afgewikkeld. Als hij het niet eens is met de gang van zaken kan hij om herziening vragen. Het is gevoelig en belangrijk werk. De aantallen zijn zo groot (30.000 studenten, 2 à 3000 academische stafleden en 6000 niet-academische stafleden) dat hij meer dan eens plezier heeft van zijn ervaring bij het gebruiken van kwantitatieve gegevens in grotere modellen. Want hij is en blijft – ook tijdens zijn bestuursjaren – een actief historicus met een sterk economische inslag.

Sinds zijn studiejaren aan Yale beoefent De Vries twee vakken. De laatste twintig jaar hebben die zich in een diametraal tegengestelde richting ontwikkeld, vertelt hij. De economie – ``de meest wetenschappelijke van de sociale wetenschappen'' – maakt steeds meer gebruik van wiskundige modellen, terwijl de meeste beoefenaars van de geschiedenis zich zijn gaan verdiepen ``in het unieke van bepaalde mensenlevens, in wat nooit meer terugkomt''.

Beide wetenschappen berusten op een zeer verschillende traditie. De economie wil wetten ontdekken die het mogelijk maken de toekomst te voorspellen. De geschiedenis begint met beschrijven, blijft dicht bij de bronnen. De Vries: ``Theoretisch gezien is economie nogal a-historisch. De economie gaat er van uit dat wat de mens beweegt constant is en nooit verandert. In de geschiedenis kan je zoiets nooit veronderstellen, anders heb je als historicus niets te doen.'' ``De kloof tussen beide disciplines wordt gestaag groter'', zegt De Vries. ``Dat maakt het voor iemand die, zoals ik, met één been in de economie en één been in de geschiedenis staat moeilijker. Velen denken dat zo'n interdisciplinaire benadering onmogelijk is vanwege deze kloof. Mijn opvatting is dat geschiedenis die uniek is, niet snel nuttig wordt voor de maatschappij omdat die weinig kan bijdragen aan verbetering van modellen in de sociale wetenschappen. Al mijn werk is gebaseerd op economische, en soms andere sociaal-wetenschappelijke modellen om historische gebeurtenissen te omschrijven. Daarbij kijk ik naar gebeurtenissen die niet één of twee levens maar duizenden of miljoenen levens van gewone mensen hebben bepaald. Dat vind ik belangrijker dan die ene grote man of bijzondere vrouw.

``Mijn grote ambitie voor de sociale wetenschappen is dat we modellen ontwikkelen die de historische dynamiek werkelijk kunnen bevatten. We hebben in ons vak – ik heb daar maar een bescheiden bijdrage aan geleverd – de laatste jaren meer verfijnde en krachtiger economische modellen ontwikkeld in die richting. Daarbij worden geleidelijk de natuurkundige modellen losgelaten die zo lang als basismodel voor de economie hebben gediend. Er is sprake van een duidelijke toenadering tot in de biologie gebruikelijke modellen. Het blijkt dat deze niet-lineaire modellen dichter komen bij reële historische ontwikkelingen. Een nadeel is dat biologische modellen wiskundig gezien veel moeilijker zijn – dat bezorgt economen de nodige problemen.''

De Vries wijst op recente studies naar `standaardisering' waarin economische historici met deze benadering ontwikkelingen hebben kunnen verklaren waar men tot voor kort geen raad mee wist. Het gaat om het ontstaan van zulke standaarden als die voor videocassettes, waar Philips en een aantal Japanse firma's hebben gestreden om de suprematie. Iedereen was het erover eens dat de mislukte Philips-norm uitstekend was. Een vergelijkbare situatie doet zich voor bij de nog steeds naast elkaar bestaande besturings-software voor personal computers: DOS/Windows en OS van Apple, waar nu Linux naast is gekomen.

Een gaaf, uitgekristalliseerd voorbeeld is de ontwikkeling van het schrijfmachine-toetsenbord. ``In de 19de eeuw hadden verschillende fabrikanten ieder hun eigen rangschikking van de toetsen. Daar is algemeen – behalve in Frankrijk – het Qwerty-toetsenbord uit voortgekomen. Dat was niet de meest voor de hand liggende toetsvolgorde. Men koos die juist om te voorkomen dat zo snel getikt zou worden dat de toetsen van de schrijfmachine in elkaar verstrikt raakten. Voor de computer geldt dat probleem natuurlijk niet meer. Desondanks heeft vrijwel iedere computer een Qwerty-toetsenbord.''

De Vries: ``Een mooi voorbeeld van te vroege standaardisatie. De vraag is: gaan we op allerlei gebieden naar één standaard en is dat de best mogelijke voor iedereen? Of zou iets ons beletten dat doel te bereiken? Hoe komt het dat we vaak op sub-optimale standaardisatie uitkomen? De huidige economische modellen zullen altijd voorspellen dat in een redelijke wereld met open concurrentie de optimale standaardisering wordt bereikt. Dat is dus niet het geval. Economisch historici verbazen zich daar minder over. Het lukt ons vaak economisch niet dichter bij het optimum te komen. Dat heeft veel met `institutionele economie' te maken. En met externe en interne kosten: het maakt alles uit of bedrijven zelf moeten betalen voor een modernisering of dat dat gebeurt door de samenleving als geheel. Veel dingen hebben te maken met wat vroeger is gebeurd. Een eenmaal gekozen pad moet gevolgd worden.''

Dat soort historische besef lijkt in Nederland geen gemeengoed.

``Wat vóór de twintigste eeuw is gebeurd spreekt in Nederland inderdaad niet tot verbeelding. Het verleden wordt gebruikt om een bepaalde politieke positie te verdedigen, zoals dat in Engeland gebeurt. In Oxford [waar De Vries langere periodes heeft doorgebracht] werd iedere week wel verwezen naar de burgeroorlog uit de 17de eeuw of Charles II. In Leiden gebeurt zoiets alleen op 3 oktober. Ik vond het in dat verband verfrissend een jaar of drie geleden deel te nemen aan een forumdiscussie met onder anderen Frits Bolkestein over de vraag of Nederland een tweede Gouden Eeuw zou kunnen beleven. Daar speelden heden, verleden en toekomst voortdurend een rol. Mijn conclusie was overigens; hier is een land dat zich geen Gouden Eeuw wenst, men wil geen nummer één zijn. Men wil liever een goede tweede zijn, dat geeft een comfortabel gevoel en je loopt minder risico's net achter de groten van de wereld.

``In de Gouden Eeuw, 16de en begin 17de Eeuw was de situatie heel anders. Nederland was bijna een nieuw land. Er waren zo veel mensen uit de Zuidelijke Nederlanden, Frankrijk, Engeland en Duitsland naar Nederland gekomen dat veel oude tradities niet te handhaven waren. In die situatie ontstond nieuw denken, in de theologie en op andere terreinen. Dat soort tijd van vernieuwing is angstwekkend voor velen die niet vrijwillig een andere richting inslaan. Dat is het eigenaardige van zo'n periode van creativiteit en inspiratie, het komt over je. Hier kom je overigens op een gebied waar zelfs de sociale wetenschappen geen theorie of verklaringsmodel voor hebben.''

Zou Nederland bij het verwerken van zijn huidige immigratiestroom iets van die eerdere ervaring kunnen leren?

``In dat opzicht is de vergelijking te maken met zowel de Verenigde Staten, die voor een grote uitdaging staat door de migratie uit Latijns-Amerika én de eigen geschiedenis van de Gouden Eeuw. Wanneer je de huidige immigratie in Nederland vergelijkt met die in de 16de en 17de eeuw, dan is het grote verschil dat de huidige zuigkracht van de Nederlandse maatschappij economisch is, maar niet cultureel. Die kloof blijft bestaan tussen immigranten en inheemse Nederlanders.

``Dat roept vragen op hoe dat verder moet. In de 17de eeuw was dat duidelijk anders. Vele duizenden uit de omringende landen spraken andere talen, maar zij integreerden snel qua taal en godsdienst. In de Nederlandse maatschappij hadden zij te maken met een grotere culturele openheid – immigranten `maakten' die ontwikkeling zelf. Het leverde immigranten grote voordelen deel te worden van de Nederlandse cultuur. In het huidige Europa is het voor immigranten niet duidelijk waarom zij veel zouden moeten investeren in de Nederlandse variant van de Europese cultuur.

``In het Amerika van de 21ste eeuw doen we nog altijd een beroep op de oude immigratietraditie. Of het waar is of niet, we willen geloven dat wat nu gebeurt slechts een kleine variatie is op wat we in de 19de en 20ste eeuw hebben meegemaakt, en dat onze instituties toereikend zijn om weer een succes te maken van de nieuwe instroom van immigranten, al komen zij ten dele uit andere werelddelen dan vroeger, en al zijn er grote verschillen in culturele traditie. We blijven redelijk optimistisch over onze integratiemogelijkheden. Eén voordeel is dat iedereen het de moeite waard vindt vertrouwd te raken met de Amerikaanse taal en cultuur. Daar hebben we minder problemen dan Nederland nu. De Amerikaanse situatie is wat dat betreft meer te vergelijken met Nederland in de 17de eeuw.

``In de Gouden Eeuw vonden veel gemengde huwelijken plaats. Dat is een belangrijke bron van integratie. Vooral Nederlandse vrouwen trouwden vaak met Engelsen, Scandinaviërs en Duitsers. Dat kon doordat er grote verschillen in godsdienst geen rol speelden bij de immigratie. Dat is nu heel anders. Er zijn wel verschillen in godsdienst, die – ook bij niet echt-godsdienstigen – worden ervaren als cultuurverschillen. Dat is misschien de grootste barrière tot echte integratie. In de VS geldt voor de Latijns-Amerikanen dat zij voor honderd procent christenen zijn.

Bij de Aziaten geldt dat zij een duidelijk andere culturele achtergrond hebben, maar ook bij hen is een belangrijke minderheid christen. Dat geeft een andere dynamiek aan het tempo van integratie. Een grote minderheid van de tweede generatie immigranten trouwen met niet-Aziaten. Dat geldt vooral voor Japanners, Koreanen en Chinezen.''

Nieuwe immigranten in Nederland zouden minder belangstelling hebben voor de Nederlandse cultuur, waarvoor dan wel? In een bijdrage aan het Jaarboek voor het democratisch socialisme (Wiardi Beckman Stichting, Amsterdam, 1995) verwoordt u de visie dat Nederland het meer van zijn cultuur dan van zijn eenheid als natie moet hebben.

``Ik heb de Nederlandse staat nooit gezien als het hoogtepunt van de Nederlandse beschaving. Men is creatief in verschillende opzichten, maar niet staatkundig. De Nederlandse staat draagt in de 20ste eeuw staatkundig niet zo veel bij aan de de Europese discussie, aan de ontwikkeling van een Verenigd Europa. Andere nationale tradities hebben meer aanzien en zelfbewustzijn, een meer uitgestippelde agenda om die gemeenschappelijke toekomst te ontwikkelen. Ik vrees dat Nederland niet zo veel invloed heeft en de laatste twintig jaar ook niet heeft gehad bij de opbouw van het gemeenschappelijke Europa.

``De Nederlandse staatsvorm tijdens de Republiek is nog steeds, ik wil niet zeggen een bron van vermaak, maar wel een puzzel. De Nederlandse staat is bijna per ongeluk ontstaan en haar instituties zijn nauwelijks veranderd tot de val van de Republiek. Nederland heeft geen staatkundige traditie in het ontwikkelen van de Grondwet en het verfijnen van het staatsapparaat. Merkwaardig genoeg ontbreekt een uitgebreide staatkundige litteratuur, zoals in Engeland. Men stelde zich er tijdens de Republiek mee tevreden dat de staat bepaalde functies vervulde. Economisch en theologisch speelde Nederland internationaal een vooraanstaande rol, en met zijn republikeinse staatsvorm betekende was het een bijzonder fenomeen, een uitdaging voor andere Europese staten. Maar in de praktijk is het Nederlandse staatsbestel anderen nooit tot voorbeeld geweest.''