Menselijk gelaat?

Het feest is over, de sponsorspelen van Sydney 2000 naderen het einde. Inge de Bruijn – voor de Aussies de heks van de Spelen – liet zich dezer dagen gewillig fotograferen bij de manicurist. Sponsorcontractje of gewoon een opstoot van vrouwelijke ijdelheid? Je weet het op de Olympus nooit zeker. De grens tussen exhibitionisme en existentialisme is in topsport niet altijd goed te volgen.

Sydney 2000 was vooral kapitalisme met een menselijk gelaat. Een enkele keer zelfs zonder menselijk gelaat. Philips, toch de sponsor van alles wat in Eindhoven en omstreken tot leven komt, liet zich niet betrappen op een warm gebaar naar de zwemploeg van PSV toe. Bij Boonstra en zijn bestuur, zelf poepchique dinerend Down Under, kon er geen rondje af voor de goudvlinders van het Aquatic Centre. Lampen gaan voor de mens.

Nationalisme in de sport heet goedaardig te zijn. Ik heb daar ernstige twijfels over. De hysterie rond de tricolore kampioenen die op de Australische televisie in staat van permanentie werd opgepookt, had iets onterends. Dit juichen was een vorm van geweld. Vooral naar de gevierde atleten toe. Ze kregen er niet genoeg van, de bloedzuigers, vermomd als journalisten, die het merg wilden raspen van een gestereotypeerd slachtoffer als Cathy Freeman. Mart Smeets en Jack van Gelder zijn ook niet te beroerd om zich te vergrijpen aan het geluk van olympische medaillewinnaars, maar wat de Australische commentatoren te horen gaven was erger dan disco. De kranten deden al even gek. Oude Spelen in een nieuw land: de paradox gaat de maat van de menselijke absorbtie voorbij.

Het nationalisme in het Holland House was natuurlijk ook van een ondraaglijke baldadigheid, maar het had de lompheid van de klompendans en daardoor werd het minder obsceen. Sydney aan de Maas is een kruising van Heineken en Trefpunt, bepaald niet de monopoliehouders van elegant volksvermaak. In Epe werd de voorbije weken voorzeker beschaafder gehost en gezopen. Het rare was dat sommige atleten het wel leuk vonden. In de titelrace waren ze niet te zien, maar in het Holland House lieten bij voorbeeld de wielrenners, en met name Erik Dekker, zich gaarne kennen als ongekroonde feestvarkens. Nou ja, varkens is een eufemisme.

Vroeger kwam daar nog de inherente onbeschaafdheid van de bobo's bovenop, maar dat viel tijdens deze Spelen erg mee. Het bestuur van NOC*NSF was veeleer gegêneerd aanwezig, en dan nog alleen als het daartoe door het succes was verplicht. Zelfs Erica Terpstra galmde wat meer en sourdine. Zou ze met het voortschrijden van de jaren poreuzer zijn geworden voor weemoed? Ik zag haar een keer midden in de nacht heel erg dromerig op een taxi staan wachten. Niet als een vrouw met een schoot vol macht.

In de hoogmis van kapitalistische snoeverij, nationalistisch gebral en de lof der zatheid vielen ook nog momenten van ontroering te beleven. Felix Savon, de 33-jarige Cubaan, zien boksen voor een derde gouden medaille is van een weergaloze schoonheid. Allicht is hij een protégé van het regime, maar Cubaanse boksers behouden de geur van armoe. Althans, ze zijn niet zo ontegensprekelijk opgenomen in het parvenuleger van Nike.

Het allerontroerendst van deze 27ste Olympische Spelen in Sydney was de aanwezigheid van Harry en Marta van Moorsel in de Dunc Gray Velodrome. Kleine, donkere mensen uit Boekel die zichzelf hadden opgeborgen achter een spandoek: LEONTIEN. Verkrampt in hun plattelandse nietigheid stonden ze daar. Bang voor explosies van geluk, misschien wel voor elk teken van leven. Haast ongemerkt bliezen ze uit de betraande gezichten een paar kusjes naar hun zegevierende dochter. Uren later, in het Holland House, stonden ze nog alleen te wezen. Harry met een pilsje in de hand en Marta met haar handtasje onder de arm geklemd alsof ze door Amsterdam liep. Ze straalden wel, maar lichtjaren ver van de polonaise.

Marta zei: ,,Jarenlang heb ik dagelijks honderdvijftig zakken cement van vijftig kilo bij de boeren staan lossen. Ook toen ik al zwanger was. Ja ja, ons Leontien weet wel dat we veel voor haar gedaan hebben.''