INLEVINGSVERMOGEN LEGT ZICH VAST OP KLEUTERLEEFTIJD

Als onhandelbare en agressieve kinderen vier à vijf jaar oud zijn, vertonen ze evenveel zorgzaamheid voor andere mensen als `gewone' kinderen van die leeftijd. Maar als ze zes à zeven jaar oud zijn, vertonen ze wèl veel minder zorgzaamheid dan hun `gewone' leeftijdgenootjes, bij wie deze eigenschap ongeveer gelijk blijft. Deze onverwachte breuk in meelevendheid blijkt uit een meerjarig Amerikaans onderzoek onder 77 kinderen waarvan een ruime derde ernstig oppositioneel (ongehoorzaam) en agressief gedrag vertoonde, een derde dat dat negatieve gedrag matig vertoonde (dat niet behandeld hoefde te worden: subklinisch) en een krappe derde niet (Developmental Psychology, sept).

De meeste kinderen die op vier- à vijfjarige leeftijd al ernstige gedragsproblemen hadden, hadden die ook nog twee jaar later. Maar wanneer de kinderen op de jongere leeftijd relatief veel aandacht hadden voor problemen van andere mensen, bleek een paar jaar later hun eventuele oppositionele gedrag te zijn verminderd. Het probleemgedrag van kinderen die geen of `matige' problemen hadden veranderde niet in de onderzochte periode van twee jaar. De onderzoekers van het Amerikaanse National Institute of Mental Health en de Universiteit van Colorado leiden uit deze resultaten af dat het wel eens heel erg belangrijk zou kunnen zijn om bij moeilijke kinderen van een jaar of vier, vijf het vermogen te stimuleren zich in te leven in het lijden van anderen. Kennelijk speelt dit vermogen in de overgang tussen kleuter- en lagere schooltijd een belangrijke, `beschermende' rol in de ontwikkeling van `moeilijke' kinderen.

Het gebrek aan zorgzaamheid werd altijd wel als een belangrijk kenmerk van agressieve en oppositionele kinderen gezien, maar het is voor het eerst dat dit al op zo jonge leeftijd en over meerdere jaren is onderzocht. De jonge kinderen blijken wel degelijk asociaal gedrag te kunnen combineren met zorg voor anderen, een connectie die later in het leven minder waarschijnlijk is.

De zorgzaamheid van de kinderen werd getest door hun reactie te meten op de pijn van volwassenen, een keer een onbekende en een keer hun moeder. Zij deden alsof ze iets op hun voet lieten vallen. Zoals ook uit andere onderzoeken bekend is, reageerden meisjes (die sowieso gemiddeld ook altijd minder probleemgedrag vertonen) veel sterker op het ongelukje dan jongens. Een interessant feit was ook dat de kinderen veel sterker reageerden op het ongelukje van de onbekende vrouw dan op dat van hun moeder. De onderzoekers verklaren dit niet, maar mogelijk konden de kinderen het toneelspel van hun moeder beter doorzien.

Waardoor kinderen meer of minder aandacht hebben voor het leed van anderen, is niet helemaal duidelijk, maar de onderzoekers vonden een effect van de opvoedingsmethoden, die ze via vragenlijsten aan de moeder ook bij hun onderzoek betrokken hadden. Kinderen bleken bij de tweede meting na twee jaar minder zorgzaam te zijn als hun moeder een autoritaire opvoedingstijl bezigde. Moeders die een meer ondersteunende en meelevende opvoedingsstijl hanteerden, hadden een gemiddeld meer empathisch kind dan de andere moeders.

Een andere hypothese die de onderzoekers opperen als verklaring voor de groeiende ongevoeligheid bij moeilijke kinderen is dat deze kinderen op de lagere school (het tweede meetmoment) vaker in conflicten en ruzies verzeild raken dan andere, minder problematische kinderen. Misschien dat die conflicten de kinderen ongevoeliger maken.