Een rimpeling in de oceaan

Deze week stierf de Indonesische journalist Soerjono. Hij werd op handen gedragen door collega's en lezers, maar zijn partij verbande hem naar China. Hij kwam nooit meer thuis. Aan zijn sterfbed in Amsterdam stond zijn jongere broer Alex Suryo Sunaryo, die een deel van zijn leven offerde aan Soerjono. Een afscheid, precies 35 jaar na de mislukte coup van links in Indonesië.

De receptionist van het Henriette Roland Holsthuis hoeft niet lang na te denken. ,,Kamer 205, de laatste deur van de gang.'' Het naambordje vermeldt `Hr. X. Soerjono'. De bewoner van 205 past kennelijk niet helemaal in het systeem. Hij is Javaan en heeft maar één naam, net als Soeharto, de man die zijn terugkeer naar Indonesië onmogelijk maakte. Om in de administratie het vakje 'voornaam' niet leeg te laten – zoiets schept onzekerheid – maakte men van Soerjono `de heer X'.

Als ik binnenkom, zit hij op de rand van het bed. ,,Hoe gaat het, bung?'' Soerjono hecht nog aan de omgangsvormen uit de revolutietijd: de gast wordt begroet als `broeder/kameraad'. Een herseninfarct heeft hem half verlamd, hij beweegt zich moeizaam en de zinnen komen traag over zijn lippen. De milde chaos in de kamer met balkon contrasteert sterk met het strakke Bijlmerdecor buiten. Alleen de boeken en een enkele foto kleuren het interieur. Boven de eettafel hangt het geschilderde portret van een Aziatische jongen in Mao-pak. Hij ziet me kijken: ,,Dat is mijn zoon, Yung-Kan Nusawan. Hij woont in Aken.''

Op deze warme dag in juli voeren we ons laatste gesprek. Soerjono vertelt me voor het eerst over zijn oudste broer, die in de heksenjacht na de mislukte linkse coup van 1965 in de buurt van Palembang werd terechtgesteld. ,,Toen ze hem in de rivier vol krokodillen gooiden, leefde hij nog.''

Dit weekeinde is het precies 35 jaar geleden dat het labiele machtsevenwicht in Indonesië drastisch werd verstoord. In 1959 had 's lands eerste president, de nationalist ir. Soekarno, de Grondwetgevende Vergadering ontbonden en een presidentieel regime ingevoerd. Daarna werd de Indonesische politiek een buitenparlementaire krachtmeting tussen het leger en de PKI, de grootste, niet-regerende communistische partij van Azië, met Soekarno als machtige arbiter. De president kon rekenen op een immense populariteit en dat stelde hem in staat de rivalen tegen elkaar uit te spelen. In 1965 ging echter het gerucht dat Soekarno ernstig ziek was. Leger en PKI verdachten elkaar van putsch-plannen voor het geval de scheidsrechter het speelveld zou verlaten.

In de nacht van 30 september op 1 oktober 1965 ontvoerden en vermoordden militairen, gekleed in uniformen van het presidentiële garderegiment, zes generaals, en bezetten strategische plaatsen in Jakarta. De volgende morgen kondigde de leider van de actie via de radio de vorming aan van een `Revolutionaire Raad'. De revolte werd binnen enkele dagen neergeslagen door landmachteenheden onder leiding van generaal-majoor Soeharto. Hij verdacht president Soekarno, die de mislukte coup aanvankelijk afdeed als een `rimpeling in de oceaan van de revolutie', van medeplichtigheid en dwong deze hem vergaande volmachten te geven. Binnen twee jaar was Soeharto zelf president.

De toedracht van het drama is nog steeds niet opgehelderd. Soeharto, die niet op de dodenlijst van de samenzweerders stond – en volgens een van hen vooraf op de hoogte was gesteld van het actieplan – verklaarde dat de PKI een gooi had gedaan naar de macht. Hij ontketende een golf van terreur tegen de linkerzijde, die in enkele maanden van de Indonesische politieke kaart werd geveegd. Het was een tijd van massale afrekeningen, politieke en persoonlijke. De terreur was geen louter militaire operatie, maar ook een uitbarsting van razernij tegen alles wat links was onder moslimjongeren en boeren. De schattingen van het aantal doden varieren van vijfhonderdduizend tot één miljoen. Tientallen duizenden politici, vakbondsleiders, ambtenaren en intellectuelen werden gevangen gezet of moesten uitwijken naar het buitenland.

De gruwelen van 1965 sloegen een diepe kloof in de Indonesische samenleving die tot op heden niet is overbrugd. Dat het land dit trauma nog steeds niet heeft verwerkt, bleek toen president Wahid in maart voorstelde het zogenaamde `communistenverbod' van 1966 – de legitimatie achteraf van de moordpartijen en verbanningen – in te trekken. Hij kreeg alleen zijn eigen, kleine partij mee.

Soerjono kende de meeste hoofdrolspelers in het drama 1965 van nabij. Het gewezen PKI-lid was in het noodlotsjaar correspondent voor de partijpers in Peking en dat redde zijn leven. Toen begon wat hijzelf zijn `itineraire' noemt: hij werd balling in Peking, kreeg een militaire training in Nanking, keerde terug naar Peking en maakte in 1972 de `oversteek' naar de andere communistische grootmacht: de Sovjet-Unie.

Verwend

Deze maand ging dit levende archief voorgoed op slot. Na twee nieuwe hersenbloedingen raakte Soerjono in coma en afgelopen dinsdagmorgen blies hij in het Amsterdamse verpleegtehuis 'Amstelhof' de laatste adem uit.

Twee dagen eerder kreeg ik een telefoontje uit Depok, een voorstadje van Jakarta: ,,Met Alex. Ik hoor zoëven dat Soerjono stervende is.'' Ik had het al gehoord van vrienden in Amsterdam; Alex was gebeld door een Indonesische balling in Parijs. We werden het snel eens: hij moest met spoed naar Nederland, want de man die ginds lag dood te gaan, was zijn oudere broer.

Ik leerde Alex Suryo Sunaryo kennen in 1993. We werden aan elkaar voorgesteld in Amsterdam door uitgever Jan Mets, een van de vier Nederlanders die Soerjono in 1989 op diens verzoek uit het Huis voor Partijveteranen in Peredelkino, bij Moskou, hadden gehaald en hem onderdak hadden bezorgd in het Amsterdamse Henriette Roland Holsthuis. Dezelfde groep bracht Soerjono, na een scheiding van bijna dertig jaar, weer in contact met zijn broer Alex, die in Indonesië woont.

De maandag voor Alex' vertrek naar Nederland brachten we samen door. In de auto, in de wachtkamer van het Nederlandse consulaat en in mijn tuin. In die emotionele uren reconstrueerde hij de levensloop van zijn oudere broer, die op een noodlottige manier is verweven met de zijne en met de recente geschiedenis van Indonesië.

,,Soerjono is geboren in 1927 in Prambanan, in het Yogyase. Vader werkte bij de Oudheidkundige Dienst. Ik kwam twee jaar later ter wereld, in het Oost-Javaanse regentschap Blitar. Onze ouders hadden veel kinderen en weinig geld en de naaste familie deelde daarom in de opvoeding. Soerjono groeide op in het gezin van een tante, een oudere zuster van moeder, die zelf kinderloos was. Haar man was lurah (dorpshoofd) van een desa in het Blitarse, had tuinen waarvan hij tweemaal per jaar oogstte en zat er warmpjes bij. Vergeleken met de andere kinderen werd Soerjono nogal verwend. Zo mocht hij naar de Particuliere Hollands-Indische School. Ikzelf ging naar de gouvernementele in de stad Blitar. Mijn pleegvader, een oudere broer van moeder, was daar onderwijzer.

,,Het platteland rond Blitar stond bekend als dwars. Het was een bakermat van het links georiënteerde verzet tegen de Nederlanders en dat werd – ondergronds – voortgezet tegen de Japanners, door de anti-fascistische beweging van Amir Sjarifoedin. Soerjono voelde zich daartoe aangetrokken en in die kring kreeg hij zijn politieke opvoeding. In de Japanse tijd deed zijn pleegvader hem naar de Cultuurschool (een middelbare landbouwopleiding) in Tulungagung, ook in Oost-Java.

,,Toen hij in de tweede klas zat, werd het illegale netwerk van Sjarifoedin opgerold door de Kempetai, de Japanse Gestapo. Ook Soerjono werd opgepakt, omdat hij, als zestienjarige, koeriersdiensten verrichtte voor de beweging. Hij kreeg 2,5 jaar, waarvan zeven maanden voorwaardelijk. Hij schreef zijn lichte straf – anderen werden terechtgesteld – toe aan zijn kinderachtige korte broek. De maanden tussen zijn vrijlating en de capitulatie van Japan had hij een baantje bij het voormalige Staatsspoor, op de afdeling expeditie. Onze oudste broer werkte daar ook en van hem leerde Soerjono spullen jatten van de Japanners.

,,Ik hoorde dat hij na de proclamatie van de onafhankelijkheid door Soekarno en Hatta (17 augustus 1945) actief werd in de socialistische partij Pesindo. Daar weet ik niet het fijne van, want ik sloot me aan bij de Tentara Pelajar (scholier-soldaten). Wij bonden in Oost-Java de strijd aan met de teruggekeerde Nederlanders. Toen de Pesindo uiteenviel in een sociaal-democratische vleugel onder Sjahrir en een communistische onder Sjarifoedin, koos Soerjono voor de laatste. Hij werd journalist en ging werken voor het weekblad Revolusioner. Ik trok intussen met de nationalistische troepen heen en weer tussen Midden- en Oost-Java. Bij de `doorstoot' naar Yogyakarta, eind 1948 (in Nederland bekend als de `tweede politionele actie'), viel ik in handen van Nederlandse militairen. Toen die me lieten gaan – ik was pas achttien – stuurde mijn commandant me terug naar school. Na de soevereiniteitsoverdracht nam ik in Surabaya dienst bij de marine.''

Indikasi

,,Ik zwaaide af in 1956, met de rang van luitenant, en trok naar Jakarta, waar ik een betrekking kreeg bij een persbureau. Soerjono werkte intussen bij het orgaan van de PKI, dat kantoor hield in Kota, de oude stad. Van 1956 tot 1959 waren we collega's en we troffen elkaar vaak in de Mes Wartawan, een soort journalistencafe. Ik ben nooit lid geweest van een partij – ik was een bewonderaar van Soekarno, meer niet – maar ik heb in die jaren veel van Soerjono geleerd. Hij was mijn broer; als hij aan het woord was – en dat was hij vaak – luisterde ik mee.

,,Soerjono was lid van de PKI, maar hij was in de eerste plaats journalist en lag voortdurend overhoop met de partijleiding. We waren allebei actief in Indonesia Muda, de nationale jeugdbeweging, een apolitieke club die veel deed aan sportbeoefening. Mijn broer heeft zich altijd met kracht verzet tegen pogingen van de de jongerenbeweging van de PKI, om Indonesia Muda over te nemen. De communisten zijn daar nooit in geslaagd.

,,Soerjono had veel invloed. Hij lag goed bij president Soekarno en kon uitstekend opschieten met leden van diens kabinet. Zolang hij in Jakarta was, werd hij door de partijtop als een lastpak beschouwd, dus werd hij in 1963 in Peking gestationeerd, als correspondent voor de partijpers, maar ook als functionaris van de Aziatische Journalisten Associatie. In 1964 kwam hij even terug naar Semarang. Dat was onze laatste ontmoeting. Ons weerzien zou tot 1993 duren.

,,In 1959 kreeg ik via mijn oude marinecontacten een aanstelling bij het departement van Zeeverbindingen. In 1965 moest ik, in opdracht van de minister, een voortgezette opleiding gaan volgen in Joegoslavië. De regering-Tito zorgde voor de beurs. In Belgrado vernam ik op 2 oktober voor het eerst van de gebeurtenissen in Jakarta. Ik leerde Servo-Kroatisch en om de taal te oefenen, spelde ik het dagblad Borba. Op de voorpagina stond die dag een kaartje van Indonesië en dat trok mijn aandacht. Een luitenant-kolonel had een `revolutionaire raad' gevormd `om Soekarno te beschermen tegen een generaalscomplot'. Veel begreep ik er niet van.

,,Begin 1967 zat mijn cursus erop en ging ik terug naar Indonesië. In Jakarta heerste chaos. Studenten, die alle ruimte kregen van de militairen, betoogden aan de lopende band tegen Soekarno. Ik meldde me bij het departement van Zeeverbindingen. Daar kreeg ik te horen dat mijn aanstelling oneervol was beëindigd. Er was een indikasi. Er was kennelijk over mij gekletst. Via mijn oude contacten uit de tijd van het persbureau kreeg ik vervolgens een baantje bij de Raad voor Toerisme.

,,Ruim een jaar later, in de vroege morgen van 8 augustus 1968, kwamen leden van de militaire inlichtingendienst naar mijn huis in Jakarta. Ze haalden het overhoop op zoek naar wapens en ik moest mee voor ondervraging. Ik werd naar hun hoofdkwartier gebracht. Daar wachtte ik van acht uur 's morgens tot vijf uur 's middags en er gebeurde niks. Hoe zit dat, vroeg ik, jullie wilden toch inlichtingen. Toen moest ik mee naar achteren en daar wemelde het van de arrestanten die zichtbaar waren mishandeld. Ze hielden me twee weken vast voordat ik voor het eerst werd verhoord.

,,Tijdens die verhoren, die regelmatig werden onderbroken door een stevig pak slaag, begonnen ze over Soerjono. Ze vroegen: toen je in het buitenland was, had je toen contacten met je broer? Ik zei: nee, ik zat in Joegoslavië en hij in Peking. Maar je kreeg toch brieven? vroegen ze. Ik zei ronduit dat ik ginds twee of drie brieven van hem had gehad. Hoe het met me ging, wanneer ik weer naar Indonesië kwam. Zulke dingen, van broer tot broer. Zij maakten ervan dat Soerjono mij instructies had gegeven. Tussen ondervragingen door zat ik eens alleen in de verhoorruimte met een lid van het Centraal Comite van de PKI. Ik vroeg hem: `Bung, waarvan word ik beschuldigd, weet jij dat?' Hij deed verbaasd: `Maar jij zat toch in het buitenland? Ze noemen je nu zwart-op-wit verbindingsman van de partij'.

,,Ik heb nooit ontkend dat Soerjono mijn broer was. Ik zei wel dat we gescheiden zijn opgegroeid en ieder ons weegs waren gegaan. Kan ik er wat aan doen dat we dezelfde vader en moeder hebben, zei ik. Ze concludeerden dat ik een wijsneus was, een keiharde vent.''

Veteranen

,,Er waren politieke gevangenen in soorten en ik werd ondergebracht in Groep B. Groep A waren politici en militairen die golden als actief betrokken bij de coup. Die werden berecht door het Militaire Tribunaal. Groep B waren lagere partijgoden en linkse activisten, en die werden zonder vorm van proces tewerkgesteld op het Molukse gevangeniseiland Buru. Ik zat eerst in Groep C, de mensen tegen wie `aanwijzingen', maar geen bewijzen bestonden. Maar het Buru-contingent moest vol, dus werd ik, met vele anderen, opgewaardeerd tot B. Er waren jongens van dertien in onze groep. In 1970 werden we met een schip voor veevervoer in twee dagen en twee nachten naar Buru gebracht.

,,Eind 1979 werd ik vrijgelaten; in januari 1980 was ik weer thuis. Nou ja, thuis. Mijn huis in Menteng was verkocht, mijn vrouw leefde intussen samen met een andere man en mijn zoon en dochter waren geheel vervreemd van hun verbannen vader.

,,Ik heb Soerjono nooit iets nagedragen. Tijdens onze laatste ontmoeting, in 1999, heb ik hem wel hard toegesproken. Hij liet weten dat hij graag terug zou gaan naar Indonesië en daar begraven wilde worden. Ik zei toen: `Mas (een vriendelijk-beleefde aanspreekvorm voor Javaanse mannen), Mas Soer, ik beschouw je nog steeds als mijn oudere broer. Ik heb veel van je geleerd, vooral als je het had over politiek. Maar door mijn levenservaring ben ik ouder. Ik heb als zestienjarige scholier-soldaat veldslagen meegemaakt. De grootste was de Slag om Surabaya, in oktober en november 1945, toen wij de strijd aanbonden met de Britse landingstroepen. Daar raakte ik zwaar gewond en ik snap nog steeds niet dat ik dat heb overleefd. Ik heb mensen in de strijd zien sterven. Tijdens mijn gevangenschap op Buru heb ik martelingen gezien, erger dan die van de Japanse fascisten. Hoe mensen elkaar kunnen kwellen..., sudah. God zet ons op deze aarde, maar we hebben de plicht om zelf te vechten voor onze overleving. Voor mij is het om het even waar ik doodga, uiteindelijk gebeurt het op deze planeet aarde.

,,Ik ken Indonesische ballingen die erop staan dat zij na hun dood naar Indonesië worden gevlogen om daar te worden begraven. Arme nabestaanden, die dat moeten opbrengen en moeten knokken voor een plaatsje op een Indonesische begraafplaats. `Soer', zei ik, `je bent invalide. Als jij naar Indonesië wilt, heb je alleen al op reis hulp nodig en ginds kun jij niet zonder kamer met badkamer. Dat kost handenvol geld en onze familie heeft niks. Och, Mas, wie maalt er nog om ons, veteranen. Wij zijn opgeborgen of verbannen en, ook nu Soeharto is gevallen, heeft niemand meer respect voor ons. Soer, zei ik, daar kun je geen aanspraak meer op maken.' Ik wilde eerlijk zijn en geen illusies wekken, maar ik denk dat dit hem heeft gestoken.

,,Na ons weerzien in 1993 ben ik nog twee keer teruggegaan naar Amsterdam. Soerjono en ik bespraken de Indonesische politiek en hij gaf mij groeten mee voor oude vrienden hier. Ik heb die boodschappen altijd overgebracht, van Jakarta tot diep in Oost-Java. Sommige adressanten waren al dood, anderen wilden hem niet meer kennen, maar er zijn er nog heel wat die om hem geven en blij waren met die berichten. Daar zijn oud-ministers bij.

,,We hebben nog een jongere broer, maar die is anders. Hij is ingenieur en werkte tot zijn pensioen bij het ministerie van Landbouw. Toen ik van Buru terugkwam, heb ik hem een of twee keer ontmoet. Hij was vooral bang. Uiteindelijk zei hij – en ik vond dat kwetsend – dat zijn christelijke geloof hem gehoorzaamheid aan de overheid gebood. Hij verzocht me hem niet meer op te zoeken. Ik heb het christendom anders leren kennen, als een gebod van naastenliefde. Ik voelde wel dat hij mij als een bedreiging zag voor zijn ambtenarenbaan. Sinds zijn pensionering, en vooral na de val van Soeharto, wil hij me wel weer kennen, maar ik zie hem bijna nooit. Soer en ik hadden alleen nog elkaar.''

Met dank aan Jan Mets, Willem Piet en Daan Rosenberg Polak.

Ik heb in die jaren veel van Soerjono geleerd. Als hij aan het woord was, luisterde ik mee

Kan ik er wat aan doen dat we dezelfde vader en moeder hebben, zei ik. Ze vonden me een wijsneus